ENTEN.
De bewerking waarbij de loot (scheut, twijg) van een boom waarvan men weet dat hij goede vruchten voortbrengt, zodanig bevestigd wordt op de stam van een andere boom die inferieure vruchten voortbrengt, dat er blijvende samengroeiing volgt. Dikwijls geschiedt het enten om de voordelige hoedanigheden van zowel de loot (de goede vruchten) als de stam (de kracht en sterkte) te combineren. Wanneer de geënte takken eenmaal vergroeid zijn, zullen ze, hoewel ze voeding van een andere stam ontvangen, dezelfde soort van vruchten voortbrengen als de boom waarvan ze genomen zijn.
In zijn brief aan de christenen in Rome vergeleek de apostel Paulus niet-joodse christenen met de takken van een wilde olijfboom die op de gekweekte olijfboom werden geënt om de weggebroken natuurlijke takken te vervangen. — Rom. 11:17-24; zie OLIJFBOOM.