Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 292-293
  • Demon in bokkegedaante

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Demon in bokkegedaante
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Vergelijkbare artikelen
  • Demon in bokkegedaante
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Geit
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Geit
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Wilde geit
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 292-293

DEMON IN BOKKEGEDAANTE

[Hebreeuws: sa·‛irʹ; meervoud: se‛i·rimʹ].

Het Hebreeuwse woord sa·‛irʹ betekent letterlijk „harige of ruige” en wordt in deze zin gebruikt om Esau te beschrijven (Gen. 27:11). In de meeste teksten heeft dit woord echter betrekking op een geitebok of een geitebokje (Gen. 37:31; Lev. 4:24). Maar in vier gevallen (Lev. 17:7; 2 Kron. 11:15; Jes. 13:21; 34:14) schrijven de vertalers er over het algemeen een betekenis aan toe die afwijkt van het gewone gebruik van het woord.

In zowel Leviticus 17:7 als 2 Kronieken 11:15 is het duidelijk dat de term (se‛i·rimʹ, meervoud) wordt gebruikt voor dingen waaraan in verband met valse religie aanbidding wordt geschonken en offers worden gebracht. In de Septuaginta wordt het Hebreeuwse woord derhalve met „de onvernuftige dingen” en in de Vulgaat met „de demonen” weergegeven. Vele vertalers en lexicografen hebben deze mening overgenomen en in deze beide teksten de woorden „duivelen” (SV), „veldgeesten” (NBG), „saters” of „satyrs” (WV, LV), of „demonen in bokkegedaanten” (NW) gebruikt.

Uit Jozua’s woorden in Jozua 24:14 blijkt dat de Israëlieten tijdens hun verblijf in Egypte in zekere mate door de daar beoefende valse aanbidding beïnvloed waren, en Ezechiël geeft te kennen dat zij nog lang daarna onder deze heidense invloed stonden (Ezech. 23:8, 21). Daarom zien sommige geleerden in de verordening die God in de wildernis uitvaardigde om de Israëlieten ervan te weerhouden „aan de demonen in bokkegedaanten te offeren” (Lev. 17:1-7), en in Jerobeams aanstelling van priesters „voor de hoge plaatsen en voor de demonen in bokkegedaanten en voor de kalveren die hij gemaakt had” (2 Kron. 11:15) een bewijs dat er destijds onder de Israëlieten een vorm van de bokcultus werd beoefend, die in Egypte, vooral in Neder-Egypte, verbreid was. Volgens Herodotus zouden de Grieken hun geloof in Pan en ook in de saters (wellustige bosgoden, die ten slotte met horens, een bokkestaart en bokkepoten werden afgebeeld) van deze Egyptische cultus hebben afgeleid.

In het geval van de andere twee teksten (Jes. 13:21; 34:14) is men het er niet algemeen over eens of de woorden sa·‛irʹ en se‛i·rimʹ met valse aanbidding in verband staan. In deze passages wordt gezegd dat de verlaten ruïnes van Babylon en Edom door wilde dieren bewoond zouden worden, ook door se‛i·rimʹ. Waarschijnlijk bedoelde Jesaja met de vermelding van demonen in zijn opsomming van letterlijke dieren niet dat zulke demonen zich werkelijk in bokkegedaanten materialiseerden, maar veeleer dat de in de omgeving wonende heidenen in de waan zouden verkeren dat er demonen op zulke verlaten plaatsen huisden. De geschiedenis toont aan dat de bewoners van Syrië en Arabië soortgelijke ruines lang hebben beschouwd als plaatsen waar monsterachtige wezens verblijf hielden, en de djinn van de Arabieren worden als behaarde monsters afgebeeld. Daarentegen is het ook heel goed mogelijk dat met de se‛i·rimʹ die in de verlaten ruïnes van Edom en Babylon huisden, echte dieren werden bedoeld, die ruigharig waren en vanwege hun uiterlijk misschien aan demonen deden denken.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen