BEDROG.
Het zich opzettelijk bedienen van misleiding, listigheid of het verdraaien van de waarheid om een ander ertoe te bewegen afstand te doen van een of ander waardevol bezit, of een wettelijk recht op te geven.
In de bijbel wordt bedrog, en ook alles wat daarmee samenhangt, over het algemeen in verband gebracht met handelsbetrekkingen. Gods wet verbiedt oneerlijke handelspraktijken. De Israëlieten moesten elkaar eerlijk bejegenen. De loonarbeider werd uitdrukkelijk door de Wet beschermd (Lev. 19:13; Deut. 24:14). Jezus Christus rekende het verbod inzake het te kort doen van iemand onder de „geboden” van God (Mark. 10:19). Wanneer iemand onder het Wetsverbond zijn volksgenoot te kort had gedaan maar later berouw kreeg en de zaak aan het licht bracht, door een bekentenis af te leggen, moest hij de benadeelde persoon het volle bedrag vergoeden en nog een vijfde daarvan eraan toevoegen. Bovendien moest hij een schuldoffer aan Jehovah brengen. — Lev. 6:1-7.
Ook vormen van valse religie worden in de bijbel onder bedrog gerangschikt. Zo werd Elymas, de tovenaar, door Paulus met scherpe bewoordingen openlijk veroordeeld omdat hij zich van bedrog en schurkerij had bediend door „de rechte wegen van Jehovah te verdraaien”, waarop Elymas met blindheid werd geslagen (Hand. 13:8-11). Paulus wees ook christenen in Korinthe die elkaar voor het gerecht daagden, terecht door te zeggen dat zij hun broeders onrechtvaardig bejegenden en te kort deden door aldus naar het gerecht te gaan en voor onrechtvaardigen te verschijnen en niet voor de heiligen in de gemeente. Zij dienden zich veeleer te kort te laten doen in plaats van zulke zaken voor mensen van de wereld te brengen. — 1 Kor. 6:1-8.
De bijbel waarschuwt herhaaldelijk tegen bedrog en alles wat daarmee samenhangt. Niet alleen worden bedrieglijke praktijken veroordeeld, maar de bijbel wijst er ook op dat God bedriegers zal oordelen en zijn volk van hen zal bevrijden. — Ps. 62:10; 72:4; 103:6; Spr. 14:31; 22:16; 28:16; Micha 2:1, 2; Mal. 3:5.