DWAAS.
Het woord „dwaas” zoals het in de bijbel wordt gebruikt, duidt niet zozeer op iemand wie het aan verstand ontbreekt, maar verwijst in het algemeen naar een persoon die in gebreke blijft zijn verstandelijke vermogens op juiste wijze te gebruiken en een handelwijze volgt die niet in overeenstemming is met Gods rechtvaardige maatstaven. De weg van een dwaas wordt geïllustreerd door de wijze waarop de man Nabal handelde (1 Sam. hfdst. 25). Jesaja zei dat een dwaas of onzinnige „louter onzinnigheid [zal] spreken, en zijn hart zelf zal werken aan wat schadelijk is, om te werken aan afval en tegen Jehovah te spreken wat eigenzinnig is, om de ziel van de hongerige ledig te doen gaan, en hij doet zelfs de dorstige zonder drinken gaan” (Jes. 32:6). De dwaas veracht wijsheid en streng onderricht (Spr. 1:7). In weerwil van het overweldigende bewijs dat de Schepper bestaat, zegt de dwaas in zijn hart: „Er is geen Jehovah” (Ps. 14:1). Anderen wenden zich in hun dwaasheid tot afgodenaanbidding (Rom. 1:20-25). In plaats dat de dwaas naar raad luistert, blijft hij een weg bewandelen die „recht [is] in zijn eigen ogen” (Spr. 12:15). Hij neemt snel aanstoot en barst los in geredetwist. — Pred. 7:9; Spr. 20:3.
Jezus Christus noemde de schriftgeleerden en Farizeeën terecht „dwazen en blinden”, d.w.z. personen in wie geen wijsheid was en die in moreel opzicht nietswaardig waren, want zij hadden de waarheid verdraaid door menselijke overleveringen en volgden een huichelachtige handelwijze. Bovendien zette Jezus kracht bij aan de juistheid van deze benaming door toe te lichten dat het hun aan onderscheidingsvermogen ontbrak (Matth. 23:15-22; 15:3). Maar wie een broeder een „verachtelijke dwaas” noemde en aldus zijn broeder oordeelde en veroordeelde, zou in aanmerking komen voor Gehenna. — Matth. 5:22; Rom. 14:10-12; Matth. 7:1, 2.
Wil men werkelijk wijs worden, dan moet men een dwaas worden in de ogen van de wereld; „want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God”. Jehovah heeft niet de wijzen der wereld uitgekozen om hem te vertegenwoordigen, maar hij heeft dit voorrecht geschonken aan degenen op wie wordt neergezien als personen die geen kennis bezitten en daarom als dwazen worden beschouwd. Dit heeft ertoe geleid dat de dwaasheid van deze wereld nog duidelijker aan het licht is getreden. Bovendien ontneemt dit de begunstigde persoon elke reden om zich te beroemen. In plaats daarvan gaat alle heerlijkheid terecht naar Jehovah, de Bron van wijsheid. — 1 Kor. 3:18, 19; 1:18-31.
Wanneer men een dwaas antwoordt in overeenstemming met of „naar zijn dwaasheid” in de zin dat men zich tot zijn minderwaardige methoden van argumenteren verlaagt, geeft men er blijk van het eens te zijn met de ondeugdelijke redeneringen of wegen van de dwaas. Om derhalve in dit opzicht niet als de dwaas te worden, geeft de spreuk de raad: „Antwoord een verstandeloze niet naar zijn dwaasheid.” Wanneer men hem daarentegen antwoordt „naar zijn dwaasheid” in de zin dat men zijn beweringen analyseert, laat zien hoe bespottelijk ze zijn en aantoont dat zijn eigen argumenten tot volkomen andere conclusies leiden dan hij eruit heeft getrokken, kan dit nuttig zijn, zoals uit Spreuken 26:4, 5 blijkt.