FLUIT.
Dit is een vertaling van het Hebreeuwse cha·lilʹ en het Griekse equivalent ervan, auʹlos (1 Sam. 10:5; 1 Kor. 14:7). Het Hebreeuwse grondwoord waarvan cha·lilʹ naar verluidt is afgeleid, betekent „uithollen, doorboren” en kan betrekking hebben op de werkwijze die bij de vervaardiging van een eenvoudige fluit werd toegepast. Men holde namelijk een stuk riet of zelfs een stuk been of ivoor uit en boorde er vervolgens op geschikte afstanden gaten in. Egyptische afbeeldingen geven te kennen dat er in dat land verschillende op fluiten gelijkende instrumenten bestonden. Een bepaalde fluit werd schuin gehouden, met de mond tegen de zijkant van het instrument; de Egyptenaren ontwikkelden ook een dubbele fluit, die aan het einde van de twee pijpen werd aangeblazen.
Het Griekse woord auʹlos schijnt als een algemene term gebruikt te zijn om daarmee twee soorten van blaasinstrumenten aan te duiden: instrumenten met een riet in het mondstuk, alsook eenvoudige, op fluiten gelijkende pijpen. Ook cha·lilʹ kan zich tot een algemene benaming voor alle houten blaasinstrumenten ontwikkeld hebben, maar in het moderne Hebreeuws wordt de naam alleen van toepassing gebracht op de fluit, en volgens de traditionele joodse opvatting wordt met het bijbelse woord cha·lilʹ de fluit bedoeld.
[Illustratie op blz. 415]
Verschillende op Egyptische monumenten afgebeelde fluiten