FELIX
(Fe̱lix) [gelukkig].
De procurator van de Romeinse provincie Judea die Paulus na zijn laatste bezoek aan Jeruzalem in 56 G.T. twee jaar lang gevangen hield. Men gelooft dat Felix het ambt van procurator van 48 tot 52 met Cumanus deelde en het vervolgens van 52 tot 58 alleen bekleed heeft. Op grond van de achtjarige ambtsperiode kon Paulus derhalve in 56 tot Felix zeggen: „Deze natie [heeft] u reeds vele jaren als rechter.” — Hand. 24:10.
Wereldlijke geschiedschrijvers zeggen dat Felix eens een slaaf was, dat hij de voornaam Antonius had, dat keizer Claudius hem en zijn broer Pallas in vrijheid stelde en dat hij een wrede en immorele functionaris was. Tacitus beschreef hem als een man die „dacht dat hij zich straffeloos aan elke schandelijkheid schuldig kon maken”, die „zich overgaf aan elke soort van barbaarsheid en wellust, en die de macht van een koning uitoefende met de geest van een slaaf”. Naar verluidt is hij voor de dood van de hogepriester Jonathan verantwoordelijk geweest. Suetonius schrijft dat hij driemaal gehuwd is geweest. Op zijn minst een van deze huwelijken, namelijk dat met Drusilla, de dochter van koning Agrippa I, was overspelig, daar zij de vrouw van koning Azizus van Emesa was. Zulke beschrijvingen komen overeen met wat wij uit de bijbel over Felix vernemen.
Na de arrestatie van Paulus vreesde Claudius Lysias, de Romeinse bevelhebber, voor de veiligheid van zijn gevangene wanneer deze in Jeruzalem bleef, en liet de apostel derhalve onder strenge bewaking ijlings naar Cesarea overbrengen. De beschuldigers gebood hij om in tegenwoordigheid van Felix ’te zeggen wat zij tegen hem hadden’ (Hand. 23:23-30). Vijf dagen later kwamen de hogepriester Ananias, een zekere Tertullus en anderen uit Jeruzalem met absurde aanklachten tegen Paulus. Felix, die het openbare verhoor leidde, deed nog geen uitspraak. Hij beval Paulus gevangen te houden, doch hem enige verlichting van hechtenis te geven. Ook mocht het niemand van de zijnen verboden worden hem van dienst te zijn.
Later liet Felix „Paulus komen en hoorde hem aan inzake het geloof in Christus Jezus”. Bij deze gelegenheid, toen ook Drusilla, de vrouw van Felix, aanwezig was, sprak Paulus „over rechtvaardigheid en zelfbeheersing en het komende oordeel”. Daarop „werd Felix door vrees aangegrepen” en zei tot de apostel: „Ga voorlopig heen, maar als ik een gelegen tijd vind, zal ik u weer laten roepen.” In de loop van twee jaar liet Felix Paulus vaak komen en sprak met hem. Hij hoopte daarbij tevergeefs dat Paulus hem steekpenningen voor zijn vrijlating zou geven. — Hand. 24:24-27.
De joden waren uiterst gebelgd over de wijze waarop Felix zijn bestuur uitoefende. Het was „een fraai staaltje van koloniaal wanbeheer” (The Interpreter’s Dictionary of the Bible, Deel 2, blz. 264). Felix werd vermoedelijk in 58 G.T. „door Porcius Festus opgevolgd; en omdat Felix bij de joden in de gunst wilde komen, liet hij Paulus in gevangenschap achter” (Hand. 24:27). Dit gebaar van de zijde van Felix heelde echter niet de wonden die hij de joden had toegebracht; ook weerhield het hen er niet van een delegatie naar Rome te sturen om daar een proces tegen hem aan te spannen. Dat hij na zijn terugroeping naar Rome aan straf ontkwam, is alleen toe te schrijven aan de bevoorrechte positie en de invloed die zijn broer Pallas bij Nero had.