Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 361-362
  • Elifaz

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Elifaz
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Vergelijkbare artikelen
  • Elifaz
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Volg niet Elifaz’ voorbeeld als je anderen troost
    Leven en dienen als christenen: werkboek voor vergaderingen 2023
  • Val niet ten prooi aan verkeerde gedachten!
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2005
  • Jobs rechtschapenheid — Waarom zo opmerkelijk?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 361-362

ELIFAZ

(Eli̱faz) [misschien: God is zuiver goud].

Een van Jobs drie metgezellen (Job 2:11). Een Temaniet; hij was waarschijnlijk een nakomeling van Elifaz, een zoon van Esau, en derhalve een nakomeling van Abraham en een verre bloedverwant van Job (Gen. 36:4). Hij en zijn nakomelingen beroemden zich op hun wijsheid (Jer. 49:7). Van de drie „vertroosters” onderscheidt Elifaz zich als de belangrijkste en invloedrijkste. Dit kan betekenen dat hij ook de oudste was. In de drie ronden van het debat is hij de eerste spreker en zijn redevoeringen zijn langer.

In zijn eerste redevoering argumenteert Elifaz ongeveer als volgt: „Wie is er ooit onschuldig omgekomen? En waar zijn de rechtschapenen ooit verdelgd?” Hij maakt daaruit de gevolgtrekking dat Job iets slechts gedaan moet hebben en nu daarvoor door God wordt gestraft (Job hfdst. 4 en 5). In zijn tweede smaadrede tracht Elifaz Jobs wijsheid belachelijk te maken: „Zal een wijs persoon soms met winderige kennis antwoorden, of zal hij zijn buik vullen met de oostenwind? . . . Wat weet gij in feite dat wij niet weten?” Elifaz geeft te kennen dat Job ’zich ten aanzien van de Almachtige superieur tracht te tonen’. Aan het einde van zijn tweede lasterlijke aanval op de deugden van Job stelt de Edomiet de rechtvaardige Job voor als een afvallige, die in tenten der omkoperij woont, en als een man vol bedrog (Job hfdst. 15). Ten slotte kwelt Elifaz Job voor de derde maal doordat hij hem valselijk van allerlei misdaden beschuldigt en zegt dat hij een afperser is en iemand die de behoeftigen water en brood onthoudt en weduwen en wezen onderdrukt. — Job hfdst. 22.

Na Elifaz’ tweede tirade antwoordt Job treffend: „Gij zijt allen last veroorzakende vertroosters! Komt er een eind aan winderige woorden?” (Job 16:2, 3) Aan het einde van de debatten wendt Jehovah zelf zich tot Elifaz: „Mijn toorn is ontbrand tegen u en uw twee metgezellen, want gij hebt niet naar waarheid over mij gesproken, zoals mijn knecht Job.” Elifaz wordt gezegd dat zij een slachtoffer moeten brengen en dat Job vervolgens voor hen zal bidden. — Job 42:7-9.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen