ELJASIB
(E̱ljasib) [God herstelt].
Een kleinzoon van Jesua, die met Zerubbabel uit Babylonische gevangenschap terugkeerde. Eljasib was in de dagen van Nehemia hogepriester en had met de andere priesters een aandeel aan de herbouw van de Schaapspoort in de muur van Jeruzalem (Neh. 12:1, 10; 3:1). Tijdens Nehemia’s afwezigheid verontreinigde Eljasib de tempel door in het voorhof van de tempel een eetzaal voor zijn verwant Tobia, een Ammoniet, in te richten. Maar Nehemia wierp bij zijn terugkeer al het huisraad van Tobia naar buiten en liet de eetzalen reinigen. Nehemia joeg ook een van de zonen van Jojada, de zoon van Eljasib, weg omdat hij een dochter van de Horoniet Sanballat had gehuwd. — Neh. 13:4, 5, 7-9, 28.