STOF.
Fijne deeltjes materie, die zo licht zijn dat ze gemakkelijk door luchtstromingen opgenomen en meegevoerd kunnen worden. Stof is een voorziening van de Schepper die voor het leven en het welzijn van de mensheid onontbeerlijk is (Spr. 8:22, 26). Geleerden zijn van mening dat de condensatie van vochtige lucht bij de vorming van regen, mist of nevel onmogelijk zou zijn als er zich in het stof van de atmosfeer geen bepaalde water-absorberende zouten zouden bevinden. Zonder de lichtverstrooiende eigenschap van atmosferisch stof zouden bovendien de ogen van alle schepselen op aarde rechtstreeks aan de oogverblindende zonnestralen zijn blootgesteld en zou het vertrouwde natuurverschijnsel van schemering en kleurrijke zonsondergangen zich niet langer voordoen.
De Schepper gebruikte „stof van de aardbodem” toen hij de eerste mens vormde (Gen. 2:7; 1 Kor. 15:47, 48), en toen Adam wegens het overtreden van Gods wet veroordeeld werd, verordende Jehovah: „Tot stof zult gij terugkeren” (Gen. 3:19). God sprak ook een vloek van grote profetische betekenis uit toen hij tot de slang in Eden zei: „Op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten [bijten] al de dagen van uw leven” (Gen. 3:14). Alhoewel de slang niet uitsluitend van stof zou leven, zou ze, omdat ze zo dicht bij de grond leeft, met haar voedsel ook stof mee naar binnen krijgen.
Met het oog op het feit dat de mens zo ver van de volmaaktheid verwijderd is, wordt het woord stof soms figuurlijk gebruikt ter aanduiding van ’s mensen zwakheid. God bewijst degenen die hem vrezen, barmhartigheid, „gedachtig dat wij stof zijn” (Ps. 103:13, 14; Gen. 18:27). Stof duidt ook op de sterfelijkheid van de mensen, want bij de dood ’keren zij tot hun stof terug’ (Ps. 104:29; Pred. 3:19, 20; 12:1, 7). Aangezien de mens bij de dood tot stof terugkeert, wordt het graf soms figuurlijk als „het stof” aangeduid (Ps. 22:29; 30:9). Het stof van de aardbodem kan op een nederige of geringe toestand duiden. Jehovah is iemand „die de geringe uit het stof opricht” (1 Sam. 2:8; Ps. 113:7). Te bewerken dat vijanden „het stof . . . likken”, betekent hen te overwinnen, hen volledig te onderwerpen. — Ps. 72:9; Micha 7:16, 17.
In de Schrift worden grote aantallen mensen vanwege hun talrijkheid met stof vergeleken. Daarom beloofde God aan Abram (Abraham): „Ik wil uw zaad maken als de stofdeeltjes van de aarde.” — Gen. 13:14, 16.
Stof in de lucht of naar iemand gooien, was een manier om uiting te geven aan sterk misnoegen. In delen van Azië is het de gewoonte stof op een misdadiger te werpen om te kennen te geven dat men zijn berechting eist. Toen een menigte in Jeruzalem ten onrechte woedend op enkele van Paulus’ uitspraken reageerde, toonden zij hun vijandigheid jegens hem door ’stof in de lucht te gooien’. Zowel door hun emotionele optreden als door hun woorden gaven zij tegenover de militaire bevelhebber blijk van hun misnoegen over Paulus (Hand. 22:22-24). Simeï maakte op soortgelijke wijze zijn misnoegen over Davids koningschap kenbaar door „gelijk met hem [op te lopen] om kwaad af te smeken; en hij bleef met stenen gooien terwijl hij gelijk met hem opliep, en hij wierp veel stof”. — 2 Sam. 16:5-13.
Jezus Christus instrueerde zijn discipelen dat wanneer iemand hen niet zou ontvangen of niet naar hun woorden zou luisteren, zij bij het verlaten van dat huis of die stad het stof van hun voeten moesten schudden of vegen. Dit zou „als een getuigenis tegen hen” dienen en te kennen geven dat Jezus’ volgelingen vreedzaam weggingen en dat huis of die stad overlieten aan de gevolgen die God erover zou brengen. — Matth. 10:11-15; Luk. 9:5; 10:10-12; Hand. 13:50, 51.