DEMETRIUS
(Deme̱trius) [behorend aan Demeter (een Griekse godin van de landbouw)].
1. Een zilversmid uit de stad Efeze in Klein-Azië die aan het einde van Paulus’ twee- à driejarige verblijf in Efeze (ca. 53–55 G.T.), in de loop van zijn derde zendingsreis, een oproer tegen de apostel en zijn metgezellen verwekte. — Hand. 19:18, 19, 23-41; 20:1.
2. Een christen die door de apostel Johannes in een omstreeks 98 G.T. geschreven brief aan Gajus in gunstige zin wordt genoemd. Het kan zijn dat Demetrius de brief bij Gajus bezorgd heeft. Misschien heeft Johannes Demetrius bij Gajus aanbevolen om hem ertoe aan te moedigen Demetrius gastvrijheid te verlenen. Het schijnt in de gemeenten namelijk de gewoonte te zijn geweest getrouwe broeders die ten behoeve van het goede nieuws reisden, door het verschaffen van voedsel en onderdak te ondersteunen. — 3 Joh. 1, 12.