AFSNIJDING
[van het Hebreeuwse werkwoord ka·rathʹ].
In Israël betekende de afsnijding als straf op de overtreding van de Wet, de dood. Hoewel enkele rabbijnse geleerden geloven dat de afsnijding slechts inhield dat de desbetreffende persoon uit de gemeente van Israël werd gestoten, lopen de meningen van de rabbijnen hierover sterk uiteen. In het in 1938 verschenen derde deel (Leviticus) van het boekwerk Pentateuch und Haftaroth (joodse uitgave, Berlijn), onder redactie van J. H. Hertz, staat op bladzijde 185: „Op de meeste van de genoemde overtredingen stond de doodstraf. In de overige gevallen werden de schuldigen uit de gemeenschap en waarschijnlijk ook uit het land verdreven, omdat hun aanwezigheid het land bezoedelde.” In het boek The Soncino Chumash, door dr. A. Cohen, wordt commentaar gegeven op Leviticus 23:29, 30, waar staat: „Iedere ziel die zich op diezelfde dag niet in droefheid zal buigen, moet van zijn volk worden afgesneden. En iedere ziel die enig soort van werk zal verrichten op diezelfde dag, die ziel moet ik uit het midden van zijn volk verdelgen.” Rabbijn Abraham Ibn Ezra geeft als volgt zijn mening te kennen: „Er bestaat een verschil tussen deze [laatste] straf en de ’afsnijding’, maar ik kan het niet verklaren.” En de mening van rabbijn Raschi luidt: „Het betekent dat de uitdrukking ’afsnijding’ opgevat moet worden als ’verloren gaan’ (maar met de mogelijkheid tot herstel).”
Wanneer men de bijbelteksten onderzoekt waarin de overtredingen worden genoemd waarvoor deze straf was voorgeschreven, kan men vaststellen dat het begrip „afsnijding” betrekking heeft op de doodstraf, die hetzij door de gezagsdragers in Israël of door God zelf ten uitvoer werd gebracht. De misdrijven waarop de doodstraf stond, waren van zeer ernstige aard (Ex. 31:14; Lev. 7:27; 18:6, 22, 23, 29; 20:3-6; 22:3, 4, 9; 23:28-30; Num. 4:15, 18, 20; 15:30, 31; zie ook Exodus 30:31-33, 38). De schrijver van de brief aan de Hebreeën had klaarblijkelijk de woorden uit Numeri 15:30 in gedachten: „De ziel die iets moedwillig doet . . . die ziel moet . . . uit het midden van zijn volk worden afgesneden”, toen hij zei: „Een ieder die de wet van Mozes heeft geminacht, sterft zonder mededogen op het getuigenis van twee of drie personen” (Hebr. 10:28). Jezus gebruikte de uitdrukking toen hij de straf voor de symbolische „bokken” onder woorden bracht: „Dezen zullen heengaan in de eeuwige afsnijding [Grieks: koʹla·sin], maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven” (Matth. 25:46). Hier is de tegenstelling leven en dood. Indien Mattheüs, naar men veronderstelt, zijn evangelie eerst in het Hebreeuws schreef, dan heeft hij op deze plaats waarschijnlijk een vorm van het Hebreeuwse woord ka·rathʹ gebruikt.