BIJDRAGE.
De gave, het geld of de hulp enz. door één of meer personen aan een ander of anderen gegeven. Een bijdrage kan al dan niet een stoffelijke gave zijn. Paulus dankte God ’wegens de bijdrage aan het goede nieuws’ die de christenen in Filippi hadden geschonken. Naast hun persoonlijke aandeel aan het verbreiden van het goede nieuws hadden zij Paulus en waarschijnlijk nog anderen in stoffelijk opzicht bijgestaan, zodat zij ook op die manier de prediking van het goede nieuws loyaal ondersteunden. — Fil. 1:3-5; 4:16-18.
De Israëlieten genoten het voorrecht bijdragen te schenken voor de oprichting en uitrusting van plaatsen waar de ware aanbidding werd beoefend. Zij schonken materialen voor de tabernakel en de inrichting ervan (Ex. 25:1-9; 35:4-9), „een vrijwillige gave voor Jehovah”, waaraan een halt moest worden toegeroepen omdat het gegevene „genoeg [bleek] te zijn voor al het werk dat gedaan moest worden, ja, meer dan genoeg” (Ex. 35:20-29; 36:3-7). Tot de bijdragen van koning David voor de bouw van de toekomstige tempel behoorde ook een „speciaal bezit” van hem aan goud en zilver. De vorsten en de oversten van het volk droegen op hun beurt blijmoedig goud en zilver, alsook koper, ijzer en stenen bij. — 1 Kron. 29:1-9.
Hoewel niemand in feite Jehovah kan verrijken, daar alles aan hem behoort (1 Kron. 29:14-17), is het schenken van bijdragen een voorrecht dat de aanbidder in de gelegenheid stelt zijn liefde voor Jehovah te tonen. Bijdragen die niet vanwege de publiciteit of uit zelfzuchtige motieven worden gegeven, maar met de juiste geesteshouding en ter bevordering van de ware aanbidding, schenken geluk en brengen bovendien Gods zegen met zich (Hand. 20:35; Matth. 6:1-4; Spr. 3:9, 10). Dit geluk kan iedereen ten deel vallen die regelmatig iets van zijn stoffelijke bezittingen opzij legt ter ondersteuning van de ware aanbidding en om behoeftigen te helpen. — 1 Kor. 16:1, 2.
Jehovah verschaft het beste voorbeeld wat geven betreft, want hij heeft de mensheid „leven en adem en alle dingen” geschonken (Hand. 17:25), hij heeft zijn eniggeboren Zoon voor de mensheid gegeven (Joh. 3:16) en hij verrijkt christenen voor elke soort van edelmoedigheid (2 Kor. 9:10-15). Ja, „elke goede gave en elk volmaakt geschenk komt van boven, want het daalt neer van de Vader der hemelse lichten”. — Jak. 1:17; zie GAVEN, GESCHENKEN.