KEBAR
(Ke̱bar) [misschien: krachtig, machtig].
Een in het „land van de Chaldeeën” gelegen „rivier” waaraan, in Tel-Abib, een gemeenschap van joodse ballingen woonde (Ezech. 1:1-3). Het was de plaats waar de profeet Ezechiël in 613 v.G.T. zijn eerste aan ons overgeleverde visioen ontving, waarvan de ontstellende uitwerking zeven dagen duurde, en waar hij als „een wachter . . . voor het huis van Israël” werd aangesteld (Ezech. 1:1–3:21). Soortgelijke visioenen bij latere gelegenheden herinnerden de profeet aan zijn ervaring bij de Kebar. — Ezech. 10:15, 20, 22; 43:3.
Sommige commentators hebben de zienswijze geopperd dat de Kebar misschien de hedendaagse Chaboer is geweest, die ca. 465 km ten N. van Babylon in de Eufraat stroomt. Er zij echter opgemerkt dat de ballingen die door Nebukadnezars strijdkrachten werden meegevoerd, naar „Babylon” werden gebracht (2 Kon. 24:16; 2 Kron. 36:20) en dat van de rivier de Kebar wordt gezegd dat ze zich „in het land van de Chaldeeën” bevindt (Ezech. 1:3). Deze beide uitdrukkingen duiden op het onderste of zuidelijke gedeelte van Mesopotamië, niet op een zo ver in het N. liggend gebied als de hedendaagse rivier de Chaboer.
De meeste geleerden zijn het erover eens dat Ezechiël, toen hij over de „rivier de Kebar” sprak, het Hebreeuwse woord na·harʹ (gewoonlijk weergegeven met „rivier”) blijkbaar in de ruimste betekenis gebruikte, zodat het ook de talrijke Babylonische kanalen kan omvatten die eens de vruchtbare streek tussen de benedenloop van de Eufraat en de Tigris doorsneden. Dit zou stroken met het overeenkomstige Babylonische woord dat eveneens òf een rivier òf een kanaal aanduidt. Men neemt aan dat Babylons indrukwekkende systeem van irrigatiekanalen al vroeg in de geschiedenis van Mesopotamië door ingenieurs werd ontworpen om de anders zo gevaarlijke rivieren de Tigris en de Eufraat te reguleren, die elk jaar in het regenseizoen begonnen te stijgen en niet alleen verwoestende overstromingen aanrichtten, maar landbouwgebieden met een voor de bodem zeer schadelijke zoutlaag bedekten. Veel van deze kanalen waren ook breed genoeg voor grote zeilschepen en droegen daardoor bij tot de versterking van Babylons reeds vermaarde commerciële en economische positie. Welk kanaal van het uitgestrekte kanalennet dat door Mesopotamië liep, nu de bijbelse rivier de Kebar was, kan niet met zekerheid worden vastgesteld.