CEDER
[Hebreeuws: ’eʹrez].
Cederbomen, speciaal die van de Libanon, waren in bijbelse tijden beroemd en spelen vooral in het verslag van de tempelbouw door Salomo een belangrijke rol.
De ceder van de Libanon (Cedrus libani) is een majestueuze boom van enorme afmetingen, met diep in de aarde doordringende, sterke wortels, en daarom is de Hebreeuwse naam, die is afgeleid van een grondwoord dat „vaststaan” betekent, erg toepasselijk. Uitgestrekte wouden van deze ceders hebben eens de bergen van de Libanon bedekt, maar tegenwoordig zijn er als gevolg van onoordeelkundig gebruik en doordat men in gebreke is gebleven de bomen door een verstandig beheer en nieuwe inzaaiing aan te vullen, slechts een paar kleine bosjes overgebleven. De door oorlogen aangerichte verwoestingen hebben ongetwijfeld eveneens tot deze ontbossing bijgedragen. Toch bieden de overgebleven bomen nog steeds een indrukwekkende aanblik. — Vergelijk Hooglied 5:15.
De ceders bereiken soms een hoogte van meer dan 35 m en de stam kan een omtrek hebben van wel 12 m. De lange, breed uitstaande takken groeien horizontaal aan de stam en kunnen in totaal een omtrek hebben van wel 60 tot 90 m. De bomen zijn enigszins piramidevormig wanneer ze jong zijn, maar naarmate ze ouder worden, wordt de top steeds vlakker. De takken groeien in aparte horizontale verdiepingen of lagen (in plaats van door elkaar) en dragen ronde, op bloemen gelijkende groepjes heldergroene naalden van ongeveer 1,3 cm lang, en bruingele kegels die een geurige hars afscheiden. De bast is roodbruin van kleur en nogal ruw. De stam wordt knoestig naarmate de boom ouder wordt.
Het hout van de ceder heeft een warme rode tint en er zitten geen kwasten in. Het werd vanwege zijn schoonheid, geur en duurzaamheid, en omdat het bestand is tegen aantasting door insekten, zeer op prijs gesteld voor bouwdoeleinden. — Hoogl. 1:17; 4:11.
Doordat er heel veel cederhout werd gebruikt, waren er duizenden arbeiders nodig om de bomen te kappen, ze naar Tyrus of Sidon aan de kust van de Middellandse Zee te transporteren, er vlotten van te maken en deze langs de kust zuidwaarts te laten drijven, mogelijk naar Joppe. Dan werden ze overland naar Jeruzalem vervoerd. Voor het verrichten van deze werkzaamheden had Salomo een contract met Hiram gesloten (1 Kon. 5:6-18; 2 Kron. 2:3-10). Daarna werd er voortdurend hout aangevoerd, zodat er gezegd kon worden dat Salomo tijdens zijn regering ’cederhout zo overvloedig maakte als de sycomoorbomen’. — 1 Kon. 10:27; vergelijk Jesaja 9:9, 10.
In de Schrift wordt de majestueuze ceder figuurlijk gebruikt om werkelijke of schijnbare statigheid, voornaamheid en kracht af te beelden (Ezech. 31:2-14; Amos 2:9; Zach. 11:1, 2; Job 40:17). Daarom was het antwoord van koning Joas van Israël aan koning Amazia van Juda als een vernietigende belediging bedoeld, want hij vergeleek Amazia’s koninkrijk met een ’doornig onkruid’, terwijl hij zijn eigen koninkrijk met een machtige ceder van de Libanon vergeleek (2 Kon. 14:9; vergelijk Rechters 9:15, 20). In Ezechiëls raadsel (hfdst. 17) wordt de ceder zinnebeeldig gebruikt, want daarin worden de koning en de vorsten van Juda vergeleken met de top van een ceder van de Libanon die naar Babylon wordt weggevoerd (Ezech. 17:1-4, 12, 13). Daarna wordt de Messias profetisch afgebeeld als een loot die uit de top van de ceder wordt geplukt en vervolgens door Jehovah op een verheven berg wordt geplant. — Ezech. 17:22-24; vergelijk Jesaja 11:1; Jeremia 23:5; 33:15; Psalm 2:6; Openbaring 14:1; Daniël 4:17.
Uit de Schrift blijkt dat de ceder figuurlijk zowel in ongunstige als in gunstige zin gebruikt werd. Hij werd een „statussymbool” onder de ontrouwe, materialistische koningen van Juda en symboliseerde hoe zij zichzelf verheerlijkten en een beschutting boden die echter schijn bleek te zijn (Jer. 22:13-15, 23; Jes. 2:11-13). Niettemin wordt ook de groei en ontwikkeling van de rechtvaardige vergeleken met die van de stevig gewortelde ceder (Ps. 92:12; vergelijk Jesaja 61:3 met Psalm 92:12; 104:16). Terwijl Jehovah dus enerzijds belooft zijn kracht te zullen tonen door de machtige ceders van de Libanon te breken en ze op de bergen te laten „rondhuppelen als een kalf” (Ps. 29:4-6), voorzegt hij anderzijds de tijd dat hij de ceder zelfs in de wildernis zal laten groeien (Jes. 41:19, 20) en noemt hij de ceder apart van alle andere bomen als een van de vele scheppingen die zijn verheven Naam zal loven. — Ps. 148:9, 13.