Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 880-881
  • Karmel

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Karmel
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Vergelijkbare artikelen
  • Karmel
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Karmeliet
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Praktische lessen uit het Beloofde Land
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1996
  • Studie nummer 1 — Een bezoek aan het Beloofde Land
    „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 880-881

KARMEL

(Ka̱rmel) [boomgaard of vruchtbaar land].

De naam van zowel een bergketen als een stad. Het Hebreeuwse woord (kar·melʹ) wordt echter ook gebruikt als aanduiding voor „vers koren” (2 Kon. 4:42) of, vaker nog, voor een vruchtbaar veld of een boomgaard. — Jes. 16:10; 32:15; Jer. 2:7.

1. Het Karmelgebergte is een wigvormige uitloper van de centrale bergketen van Kanaän, die vandaar in noordnoordwestelijke richting loopt en waarvan het voorgebergte in het N.W. tot op ca. 180 m van de Middellandse Zee komt. De hele keten is ca. 48 km lang en strekt zich van de Middellandse Zee tot aan de vlakte van Dothan uit, waarachter de heuvels van Samaria liggen. De bergketen bestaat uit drie verschillende gedeelten: de bergrug in het N.W. en in het Z.O., gescheiden door een lager rotsbekken of plateau in het midden. Het hoogste punt, ca. 550 m boven de zeespiegel, ligt in het noordwestelijke gedeelte. Het staat niet vast of de naam Karmel in bijbelse tijden op de hele bergketen of uitsluitend op de noordwestelijke bergrug sloeg, die ca. 20 km lang is. Tegenwoordig wordt met de benaming „berg Karmel” (Dzjebel el-Karmal) slechts dit laatste gedeelte aangeduid. Jokneam, een Kanaänitische koningsstad, lag aan de zuidoostelijke voet van dit bovenste gedeelte en wordt als „bij de Karmel” gelegen aangeduid. Megiddo en Taänach, op de oostelijke hellingen van het zuidoostelijke gedeelte, worden niet zo aangeduid. — Joz. 12:22.

Het land Kanaän (Palestina) kan geografisch ruwweg in drie van N. naar Z. lopende gedeelten worden verdeeld: het Jordaandal, het heuvelland en de kustvlakte. Het Karmelgebergte vormt echter een duidelijke onderbreking in dit algemene patroon. Doordat het de continuïteit van de van N. naar Z. lopende bergketens onderbreekt, ontstaat het bekende dal van Jizreël of Esdrelon, dat langs de zuidoostflank van het Karmelgebergte ligt. Zo verdeelt ook het voorgebergte van de Karmel of Kaap Karmel, die in de kustvlakte van de Middellandse Zee uitsteekt, deze kustvlakte in de vlakte van Aser (ten N. van de Karmel) en de vlakten van Saron en Filistea (ten Z. van de Karmel). Vlak ten N. van het voorgebergte van de Karmel loopt de kustlijn scherp terug en vormt de baai van Akko, waar het moderne Haifa thans een belangrijke zeehaven is.

De Karmel vormde voor karavanen en legers die op weg naar of van Mesopotamië of Egypte door Kanaän trokken, een natuurlijke hindernis. Niet alleen zijn de oostelijke hellingen (die de vlakte van Aser en het dal van Jizreël begrensden) zeer steil, maar ook is het Karmelgebergte van oudsher dichtbegroeid met bomen en struiken, wat de doorgang bemoeilijkt. Tussen de voet van het voorgebergte van de Karmel en de zee loopt een smalle landstrook, maar het volgen van deze route betekende niet alleen een aanzienlijke omweg, doch bracht optrekkende legers ook in een kwetsbare positie. Vanuit het dal van Jizreël voerden bergpassen langs de vestingsteden Jokneam en Taänach over de Karmel, maar de pas bij Megiddo (dat tussen de beide steden lag) was veel gemakkelijker over te trekken en daarom van groter belang. Een andere hoofdweg echter voerde van de strategisch belangrijke stad Megiddo zuidwaarts langs de voet van het Karmelgebergte, om dan westwaarts af te buigen naar de kust via de vlakte van Dothan.

De Karmel verdiende zijn reputatie van vruchtbaarheid in de oudheid ten volle en wordt daarom dikwijls in één adem genoemd met andere opmerkelijk vruchtbare gebieden zoals de Libanon, Saron en Basan (Jes. 35:2; Jer. 50:19). Koning Uzzia, een „liefhebber van de landbouw”, had landbouwers en wijngaardeniers op de Karmel (2 Kron. 26:10), en er zijn overblijfselen te vinden van talrijke in de rots uitgehouwen wijn- en olijfpersen. Als symbool voor de rampspoedige gevolgen van Jehovah’s strafgericht aan Israël gebruikten de profeten het verwelken van de weelderige plantengroei op de Karmel (Jes. 33:9; Amos 1:2; Nah. 1:4). Op de hellingen, waarover de zeewinden strijken, liggen nog steeds boom-, olijf- en wijngaarden, en in het voorjaar zijn de hellingen met een schitterend bloementapijt bedekt. In het Hooglied (7:5) wordt het hoofd van het Sulammitische meisje vergeleken met de Karmel, een gelijkenis die hetzij betrekking heeft op haar weelderige haardos of op de wijze waarop haar welgevormde hoofd zich majestueus boven haar hals verhief. De majestueuze aanblik die de Karmel biedt — vooral het voorgebergte, dat imposant oprijst uit de kust, net als de berg Tabor zich indrukwekkend verheft in het dal van Jizreël — werd ook gebruikt om de ontzag inboezemende verschijning van Nebukadnezar af te beelden bij zijn opmars om Egypte te veroveren. — Jer. 46:18.

De Karmel was klaarblijkelijk een van de beste toevluchtsoorden voor vluchtelingen uit Samaria. Hij was weliswaar geenszins de hoogste bergketen, maar wegens zijn schaarse bevolking, de dichte bebossing en de talrijke grotten in de zachte kalksteen van de rotsachtige hellingen was het een geschikte schuilplaats voor vluchtelingen. Toch maakte de profeet Amos duidelijk dat die schuilplaats nutteloos zou blijken voor hen die trachtten Jehovah’s rechtvaardige oordeel te ontvlieden. — Amos 9:3.

De Karmel vormde een van de grensmarkeringen in het gebied van de stam Aser (Joz. 19:24-26). In de geschiedenis speelt de Karmel vooral een rol in verband met de activiteiten van de profeten Elia en Elisa. Elia nodigde koning Achab uit het volk op de berg Karmel bijeen te brengen om getuige te zijn van de krachtmeting tussen Baäl, vertegenwoordigd door de 450 Baälsprofeten, en de ware God Jehovah, vertegenwoordigd door Elia (1 Kon. 18:19-39). Na de krachtmeting liet Elia de valse profeten afvoeren naar het stroomdal van de Kison, die langs de oostelijke voet van de Karmel stroomt voordat hij in de baai van Akko uitmondt, en slachtte hen daar af (vs. 40). Op de top van de Karmel bad Elia om het einde van de drie en een half jaar durende droogte, en van daar uit zag zijn bediende het wolkje dat de voorloper was van de zware stortregen die volgde (vs. 42-45; Jak. 5:17). Van daar uit rende Elia misschien maar liefst 32 km naar Jizreël, waarbij hij met Jehovah’s hulp Achabs strijdwagen de hele weg voor bleef. — 1 Kon. 18:46.

Elisa, Elia’s opvolger, begaf zich nadat hij bij de Jordaan van Elia gescheiden was, van Jericho via Bethel naar de Karmel (2 Kon. 2:15, 23, 25). Elisa was opnieuw op de berg Karmel toen de vrouw uit Sunem (dat even ten N. van Jizreël lag) hem om hulp kwam vragen in verband met haar dode kind. — 2 Kon. 4:8, 20, 25.

2. Een stad in het bergland van Juda (Joz. 15:1, 48, 55), door de meeste geografen vereenzelvigd met el-Kirmil, dat ca. 12 km ten Z.Z.O. van Hebron ligt.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen