KAPPERBES
[Hebreeuws: ’avi·jō·nahʹ].
Sommige vertalingen van Prediker 12:5 geven dit Hebreeuwse woord weer met „lust”, zodat de zinsnede luidt: „en alle lust vergaat” (Lu; zie ook SV). Veel moderne vertalers (NBG; NW; PC; WV) gaan er echter van uit dat de schrijver van Prediker in dit hoofdstuk, waarin hij de toestand van de mens in zijn hoge ouderdom beschrijft, een metafoor heeft gebruikt, zoals in de gehele beschrijving het geval is, en dat ’avi·jō·nahʹ betrekking heeft op de kapperbes (die de eetlust opwekt). Laatstgenoemde zienswijze wordt ondersteund door de weergave in LXX, Vg, Sy en Arabische vertalingen.
De kapperstruik (Capparis spinosa) kan een hoogte van 90 cm bereiken, maar breidt zich gewoonlijk als een kruipende plant over de grond uit. Hij komt veelvuldig in Palestina voor en groeit dikwijls vanuit rotsspleten of kruipt net als de klimop langs muren of ruïnes omhoog. De doornige takken dragen diepgroene, ovale bladeren. De struik bloeit in mei met grote witte bloesems, die wijd uitstaande, geelgepunte purperen meeldraden vertonen.
De bessen van de plant worden niet zo veel gebruikt als de jonge bloemknopjes. In zuur ingelegd, worden ze als eetlust opwekkende specerij genuttigd, en als zodanig waren ze reeds in de oudheid bekend. Zo schijnt de schrijver van Prediker te willen zeggen dat wanneer bij een bejaard mens de smaakzin achteruitgaat en zijn eetlust afneemt, deze zelfs door de kapperbes niet meer opgewekt kan worden.