BILDAD
(Bi̱ldad) [zoon van twist, d.w.z. twistziek; of: Bel heeft liefgehad].
Een van Jobs drie metgezellen, die als de Suhiet wordt aangeduid; een nakomeling van Suah, de zoon van Abraham en Ketura (Job 2:11; Gen. 25:2; 1 Kron. 1:32). In de drie ronden van het debat met Job was Bildad altijd de tweede spreker en hield gewoonlijk het algemene thema van Elifaz aan; zijn toespraken waren korter en vinniger, maar minder scherp dan die van Zofar. Bildad uitte als eerste de beschuldiging dat Jobs kinderen kwaad hadden gedaan en daarom de rampspoed die hen had getroffen, verdienden. In een valse redenatie gebruikte hij de volgende illustratie: Evenals papyrus en riet zonder water verdorren en afsterven, zo „zijn de paden van allen die God vergeten” — een verklaring die op zichzelf juist is, maar niet op de godvrezende Job van toepassing was (Job hfdst. 8). Evenals Elifaz noemde Bildad Jobs bezoekingen valselijk een straf die over goddelozen komt. Hij liet doorschemeren dat de arme Job „geen nakomelingschap en geen nakroost” zou hebben (Job hfdst. 18). Met zijn derde korte toespraak, waarin Bildad beweert dat de mens een „made” en een „worm” en derhalve in Gods ogen onrein is, kwamen de ’troostwoorden’ van Jobs drie metgezellen tot een einde (Job hfdst. 25). Ten slotte gelastte Jehovah Bildad en de andere twee een brandoffer te brengen en Job te vragen voor hen te bidden. — Job 42:7-9.