BETHEL
(Be̱thel) [huis van God].
Een belangrijke stad in Palestina, die na Jeruzalem het meest in de bijbel vermeld wordt. Ze wordt vereenzelvigd met de ruïnes in de nabijheid van het huidige dorp Betin, dat ongeveer 19 km ten N. van Jeruzalem ligt. Bethel lag dus op een rotsachtige bergrug in het uiterste Z. van het bergland van Efraïm, ongeveer 900 m boven de zeespiegel. De omgeving is thans een dor, steenachtig plateau met spaarzame vegetatie. Toch duidt het bestaan van vier bronnen daar erop dat de stad in de oudheid over een uitstekende watervoorziening beschikte.
Bethel lag op een strategische plaats, hetgeen veel tot de belangrijkheid van de stad bijdroeg. Ze lag op de rug van de centrale bergketen en aan de belangrijke noord-zuidroute die de waterscheiding volgde en vanaf Sichem zuidwaarts via Bethel, Jeruzalem, Bethlehem en Hebron naar Berseba voerde. (Vergelijk Rechters 21:19.) Een andere weg verbond Bethel in westelijke richting met Joppe aan de Middellandse Zee en in oostelijke richting met Jericho dicht bij de Jordaan. Bethel lag dus net als Samaria, Jeruzalem, Hebron en Berseba op een kruispunt van wegen. Bovendien was het gebied tussen Jeruzalem en Bethel hoogstwaarschijnlijk dichtbevolkt, want nergens in Palestina lagen zo veel steden zo dicht bij elkaar.
Archeologische opgravingen in Betin hebben aangetoond dat de plaats reeds zeer vroeg bewoond was — naar men aanneemt reeds vanaf ongeveer de 21ste eeuw v.G.T. Men heeft ook sporen van een zware verwoesting en verbranding gevonden, die op sommige plaatsen een puin- en aslaag van wel 1,5 m dik heeft achtergelaten en naar men aanneemt tot de tijd van de verovering van Kanaän door de Israëlieten terug te voeren is.
Toen Abraham in Kanaän kwam (1943 v.G.T.), hield hij halt bij Sichem en trok vervolgens zuidwaarts „naar het bergland ten oosten van Bethel en sloeg zijn tent op tussen Bethel in het westen en Ai in het oosten” (Gen. 12:8). Nadat hij zich vanwege een hongersnood in Kanaän een tijdlang in Egypte had opgehouden, vestigde hij zich opnieuw ten O. van Bethel, in gezelschap van zijn neef Lot. Aangezien Abraham beide keren zijn tenten ten O. van Bethel opsloeg, neemt men aan dat zijn kamp zich op de plaats bevond die thans Boerdzj Betin wordt genoemd, even ten O. van Betin, en als „een van de beroemde uitkijkpunten van Palestina” wordt aangeduid (Encyclopædia Biblica, Deel I, kol. 552). Op deze gunstig gelegen plaats heeft Abraham Lot wellicht uitgenodigd te kiezen in welke richting hij wilde gaan nadat hij zich van Abraham had afgescheiden. Lot „sloeg zijn ogen op en zag het gehele Jordaandistrict” en koos voor dit gebied (Gen. 13:8-11). Daarna nodigde Jehovah Abraham uit het land in alle richtingen te aanschouwen en verzekerde hem dat hij het aan hem en zijn zaad als erfdeel zou geven. — Gen. 13:14, 15.
In het Genesisverslag, dat door Mozes is samengesteld, wordt de stad in de nabijheid waarvan Abraham zijn kamp opsloeg, weliswaar „Bethel” genoemd, maar uit het daaropvolgende verslag blijkt dat de oorspronkelijke Kanaänitische naam „Luz” was. Jakob overnachtte in de buurt van deze stad toen hij van Berseba naar Haran reisde (omstreeks 1781 v.G.T.) en richtte daar, nadat hij een droom had gehad waarin hij een ladder zag waarvan de top tot aan de hemel reikte en hij Gods bevestiging van de Abrahamitische belofte te horen kreeg, een zuil op en noemde de naam van die plaats „Bethel”, alhoewel „de naam van de stad vroeger Luz” was (Gen. 28:10-19). Ongeveer 20 jaar later sprak God met Jakob in Haran en maakte hij zich bekend als degene die in Bethel met Jakob gesproken had en gaf hem instructies om naar Kanaän terug te keren. — Gen. 31:13.
Nadat Dina in Sichem onteerd was en Jakobs zonen wraak hadden genomen op de Sichemieten, ontving Jakob van God de opdracht om naar Bethel terug te keren. Hij ontdeed zijn huisgenoten en zijn dienstknechten van vals-religieuze voorwerpen en trok toen onder goddelijke bescherming naar Bethel, richtte daar een altaar op en bevestigde de naam die hij voordien aan de plaats had gegeven, doordat hij ze „El-Bethel” noemde, wat „de God van Bethel” betekent. Hier is Rebekka’s voedster Debora gestorven en begraven. Hier bevestigde Jehovah ook de verandering van Jakobs naam in Israël en herhaalde hij de Abrahamitische belofte. — Gen. 35:1-16.
Eeuwen later, toen de natie Israël het land Kanaän binnentrok (1473 v.G.T.), werd de naam Bethel opnieuw toegepast op de stad die voorheen Luz heette, niet op de plaats waar Abraham en Jakob hun tenten hadden opgeslagen. Zoals uit het verslag over de aanval op Ai blijkt, kwamen de Kanaänieten uit Bethel de mannen van het naburige Ai te hulp, maar tevergeefs. De koning van Bethel werd, zo niet bij deze gelegenheid, dan toch later door Jozua’s strijdkrachten verslagen (Joz. 7:2; 8:9, 12, 17; 12:9, 16). Daarna was Bethel een grensstad tussen het gebied van de stam Efraïm en dat van de stam Benjamin. Bethel werd aan Benjamin toegewezen, maar zoals het verslag laat zien, heeft het huis van Jozef (waartoe Efraïm behoorde) de verovering van de stad bewerkstelligd (Joz. 16:1, 2; 18:13, 21, 22; Recht. 1:22-26). Van die tijd af wordt de naam Luz niet langer op de stad toegepast.
In de tijd van de rechters woonde de profetes Debora „tussen Rama en Bethel in het bergland van Efraïm” (Recht. 4:4, 5). Toen er afrekening werd gehouden met de stam Benjamin vanwege de misdaad die door de leden van die stam was gepleegd, was de ark van het verbond vermoedelijk tijdelijk van Silo naar Bethel overgebracht, aangezien Bethel heel wat dichter bij Gibea, het middelpunt van de krijgsverrichtingen (ongeveer 11 km ten Z. van Bethel), lag. — Recht. 20:1, 18, 26-28; 21:2.
Bethel lag in de kring die elk jaar door Samuël werd bezocht om het volk in die stad, alsook in Gilgal en Mizpa, te richten, en het gold nog steeds als geliefde plaats voor de aanbidding (1 Sam. 7:16; 10:3). Van die tijd af tot aan de verdeling van het koninkrijk (997 v.G.T.) wordt Bethel echter alleen nog maar genoemd in verband met koning Sauls stationering van troepen ter voorbereiding van de strijd tegen de Filistijnen. — 1 Sam. 13:2.
Als een van de belangrijkste steden van het noordelijke koninkrijk werd Bethel, dat eens als een plaats bekendstond waar de ware God zich had geopenbaard, onder Jerobeam een vermaard centrum van valse aanbidding. In Bethel, in het uiterste Z. van het pasgevormde koninkrijk Israël, en in Dan, in het uiterste N. ervan, richtte Jerobeam de gouden kalveren op om de bevolking van zijn rijk ervan te weerhouden naar de tempel in Jeruzalem te gaan (1 Kon. 12:27-29). Bethel, dat nu zelf een plaats van aanbidding en een altaar had, een speciaal zelfverzonnen feest vierde en zijn eigen, uit de niet-levitische stammen gekozen priesters had, werd een symbool van klinkklare afval van de ware aanbidding (1 Kon. 12:31-33). Jehovah God aarzelde niet zijn misnoegen tot uitdrukking te brengen door bemiddeling van „een man Gods” die naar Bethel werd gezonden om een oordeel uit te spreken over het altaar dat in verband met de kalveraanbidding werd gebruikt. Het vaneenscheuren van dit altaar diende als een teken, waardoor bevestigd werd dat de woorden van de profeet stellig vervuld zouden worden. Nadat deze „man Gods” echter uit Bethel was weggegaan, liet hij zich er door een oude profeet uit Bethel toe bewegen gehoor te geven aan een boodschap die zogenaamd van een engel afkomstig was, maar lijnrecht tegen Gods uitdrukkelijke bevel indruiste, hetgeen rampspoedige gevolgen voor hem had. Hij werd door een leeuw gedood en werd in Bethel begraven in de privé-grafstede van de oude profeet, die in al deze gebeurtenissen de onmiskenbare vervulling van Jehovah’s woord zag en daarom de wens uitsprak bij zijn dood in hetzelfde graf te worden begraven. — 1 Kon. 13:1-32.
Koning Abia van Juda onttrok Bethel en andere steden tijdelijk aan het bestuur van het noordelijke koninkrijk (2 Kron. 13:19, 20), maar het schijnt dat Bethel op zijn laatst in de tijd van koning Baësa van Israël weer tot het noordelijke koninkrijk behoorde, aangezien Baësa pogingen deed om Rama te versterken, dat tamelijk ver ten Z. van Bethel lag (1 Kon. 15:17; 2 Kron. 16:1). Alhoewel koning Jehu later de Baälaanbidding in Israël uitroeide, bleven de gouden kalveren in Dan en Bethel onaangeroerd. — 2 Kon. 10:28, 29.
Ofschoon de valse aanbidding in Bethel de overhand had, laat het verslag zien dat zich daar in de tijd van Elia en Elisa een groep profeten bevond. Bethel was ook de woonplaats van de groep jongens die Elisa uitjouwden, waardoor velen van hen door de voltrekking van een goddelijk oordeel het leven verloren. — 2 Kon. 2:1-3, 23, 24.
De profeten Amos en Hosea (eind 9de/begin 8ste eeuw v.G.T.) verkondigden Gods veroordeling van de religieuze verdorvenheid waarvan Bethel het middelpunt was. Alhoewel Hosea alleen rechtstreeks melding maakt van Bethel („huis van God”) wanneer hij in herinnering brengt dat God zich daar aan de getrouwe Jakob openbaarde (Hos. 12:4), gebruikt hij klaarblijkelijk de naam „Beth-Aven”, wat „huis der nietigheid” of „huis van afgoderij” betekent, voor die stad en brengt hij daarmee Gods verachting voor haar vals-religieuze praktijken tot uitdrukking (Hos. 4:15; 5:8). Hij waarschuwt dat haar afgodskalf, bediend door priesters van een buitenlandse god, een oorzaak van rouw voor het afgodische Israël zal worden, dat haar hoge plaatsen verwoest zullen worden en dat dorens en distels haar altaren zullen bedekken; dan zal het volk, dat op het punt staat in ballingschap naar Assyrië gevoerd te worden, tot de bergen roepen: „Bedekt ons!” en tot de heuvels: „Valt op ons!” (Hos. 10:5-8; vergelijk Lukas 23:30; Openbaring 6:16) De profeet Amos sprak in dezelfde trant, doordat hij erop wees dat hun vrome pelgrimstochten naar Bethel ondanks de vele offers die zij op de altaren daar brachten, niets meer dan een overtreding vormden en dat daarom Jehovah’s brandende toorn onuitblusbaar tegen hen zou woeden (Amos 3:14; 4:4; 5:5, 6). Vertoornd over deze profetische woorden die Amos nog wel liefst in Bethel sprak, beschuldigde de afvallige priester Amazia hem van hoogverraad en beval hem ’terug te gaan naar Juda, waar hij vandaan kwam’, en daar te profeteren: „Maar te Bethel moogt gij voortaan niet meer profeteren, want het is het heiligdom van een koning en het is het huis van een koninkrijk.” — Amos 7:10-13.
Bethel bleef tot aan de verovering van het noordelijke koninkrijk door Assyrië (740 v.G.T.) een heiligdom voor afgodendienst. Daarom kon Jeremia er meer dan een eeuw later naar verwijzen als een waarschuwend voorbeeld voor degenen die op valse goden vertrouwden en uiteindelijk beschaamd zouden staan (Jer. 48:13). Zelfs na de val van het noordelijke koninkrijk bleef Bethel een religieus centrum, want de koning van Assyrië zond een van de in ballingschap gevoerde priesters naar Israël terug om de door leeuwen geplaagde bevolking te onderwijzen „in de religie van de God van het land”, en deze priester vestigde zich in Bethel en leerde de mensen ’hoe zij Jehovah moesten vrezen’. Het verslag vermeldt niet of hij een levitische of een ’afgodskalf’-priester was, maar uit de resultaten op te maken, schijnt het laatste het geval geweest te zijn, want „zij werden mensen die wel Jehovah vreesden maar hun eigen goden bleken te aanbidden”, en dezelfde, door Jerobeam ingevoerde afgodendienst bleef bestaan. — 2 Kon. 17:25, 27-33.
Het gouden kalf van Bethel was overeenkomstig Hosea’s profetie naar de koning van Assyrië weggevoerd (Hos. 10:5, 6), maar het altaar dat Jerobeam had opgericht, stond er in de tijd van koning Josia van Juda nog steeds. Het schijnt dat de Assyriërs tot op die tijd nog niet alle Israëlieten uit het noordelijke koninkrijk hadden weggevoerd, want Josia breidde het zuiveringswerk dat hij tijdens zijn regering verrichtte om de valse religie uit te roeien, tot in Bethel en tot de steden van Samaria uit. Dit gebeurde tijdens of na Josia’s 18de regeringsjaar (ca. 642 v.G.T.), en dit moedige werk is wellicht mogelijk geweest doordat het Assyrische Rijk destijds met interne problemen te kampen had. Hoe het ook zij, Josia verwoestte de plaats van afgodenaanbidding te Bethel, doordat hij er allereerst toe overging de beenderen uit omliggende grafsteden op het altaar te verbranden, waardoor hij het ontheiligde en aldus de profetie vervulde die de „man Gods” meer dan drie eeuwen voordien had geuit. Het enige graf dat werd gespaard, was dat van de „man Gods”, en zo bleef ook het gebeente van de oude profeet, die in hetzelfde graf lag, ongemoeid. — 2 Kon. 22:3; 23:15-18.
Onder de uit Babylonische ballingschap terugkerende Israëlieten waren ook mannen uit Bethel (Ezra 2:1, 28; Neh. 7:32), en gerepatrieerde Benjaminieten gingen in Bethel wonen (Neh. 11:31). In de tijd van de Makkabeeën werd de stad door de Syrische generaal Bakchides (ca. 160 v.G.T.) versterkt en later werd ze door de Romeinse generaal Vespasianus ingenomen, voordat hij keizer van Rome werd.