BED.
In bijbelse tijden beschikte men evenals thans over slaapgelegenheden, die naar gelang van de welstand waarin de mensen verkeerden, hun maatschappelijke positie en de zeden en gewoonten, in soort, stijl en constructie van elkaar verschilden. Armen, herders en reizigers sliepen vaak op de grond, soms alleen maar op een mat of strozak. Heersers en rijken daarentegen hadden in hun woonhuizen zeer kostbare en rijkversierde meubelstukken. De bijbelschrijvers maakten niet altijd een onderscheid tussen een bed, een veldbed, een divan, een rustbed of een legerstede. Dikwijls gebruikten zij twee of meer van deze uitdrukkingen om daarmee hetzelfde voorwerp aan te duiden. Zo noemden zij een bed een divan (Job 7:13) of een draagbed (Matth. 9:6; Mark. 2:11) of een legerstede (Gen. 49:4), en een rustbed een divan (Ps. 6:6). Deze slaapgelegenheden gebruikte men ’s nachts om te slapen en overdag om een middagdutje te doen (2 Sam. 4:5-7; Job 33:15), als ziekbed en om gemeenschap te hebben (Ps. 41:3; Ezech. 23:17), en ook als rustplaats voor de doden in een grote grafstede (2 Kron. 16:14). De gewoonte om bij maaltijden aan te liggen, maakte het noodzakelijk dat een feestzaal voorzien was van rustbedden (Esth. 7:8; Matth. 26:20; Luk. 22:14). Een rustbed dat speciaal was vervaardigd om iemand als een vorst rond te dragen, werd een draagstoel genoemd. — Hoogl. 3:7-10; zie DRAAGSTOEL.
Een bed heeft allerlei toebehoren, bijvoorbeeld een kussen. Toen Jezus de Zee van Galilea overstak, viel hij aan de achtersteven „op een kussen” in slaap (Mark. 4:38). In het koudere jaargetijde gebruikte men een „geweven laken” of iets anders om zich mee toe te dekken (Jes. 28:20), maar gewoonlijk sliep men in de kleren die men overdag droeg, en derhalve was het volgens de Mozaïsche wet niet geoorloofd iemands mantel na zonsondergang in bezit te houden: „Het is zijn enige bedekking. . . . Waarin zal hij zich neerleggen?” — Ex. 22:26, 27.
In het Oosten bestond een bed vaak uit niet meer dan een eenvoudige mat van stro of biezen, waar men voor wat meer gerief misschien nog een soort gestikte deken of matras overheen legde. Wanneer het bed niet werd gebruikt, rolde men het op en borg het weg. Als meer permanente inrichting gebruikte men een houten raamwerk of ledikant, zodat de slaper iets boven de grond lag (Mark. 4:21). Dit soort van bedden diende overdag als rustbed of divan om op te zitten. De eenvoudigste draagbedden waren licht en konden zonder moeite worden opgenomen en meegedragen. — Luk. 5:18, 19; Joh. 5:8; Hand. 5:15.
De rijken hadden bedden die van elegante, prachtig geborduurde gordijnen waren voorzien. „Met spreien heb ik mijn divan bedekt, met veelkleurige dingen, linnen uit Egypte. Ik heb mijn bed besprenkeld met mirre, aloë en kaneel”, zei de verleidelijke prostituée (Spr. 7:16, 17). Ook de „gouden en zilveren rustbedden” van een Perzisch paleis worden genoemd, en de profeet Amos spreekt over degenen onder het opstandige volk Israël die „op een prachtig rustbed en op een Damascener divan zitten”, en over degenen die ’op ivoren rustbedden neerliggen’. — Esth. 1:6; Amos 3:12; 6:4.