BATHSEBA
(Bathse̱ba) [dochter van een eed; dochter van overvloed].
Dochter van Eliam (Ammiël, 1 Kron. 3:5); mogelijkerwijs een kleindochter van Achitofel (2 Sam. 11:3; 23:34). Aanvankelijk de vrouw van de Hethiet Uria, een van Davids sterke mannen; later, na betrokken te zijn geweest bij een van de zwartste episoden uit Davids leven, met David gehuwd. — 2 Sam. 23:39.
Op een voorjaarsavond zag koning David vanaf het dak van zijn paleis hoe zijn buurvrouw Bathseba, een vrouw „zeer mooi van uiterlijk”, bezig was zich te baden en raakte hij in hartstochtelijke vervoering. Toen hij vernam dat haar man in de oorlog was, liet hij Bathseba naar het paleis halen, waar hij gemeenschap met haar had. „Later keerde zij naar haar huis terug”, en na enkele weken liet zij David weten dat zij zwanger was. Teneinde het overspel te verdoezelen, probeerde David daarop te bewerken dat Uria bij zijn vrouw sliep, maar toen dit snode plan mislukte, zorgde hij ervoor dat Uria in de strijd sneuvelde. Toen de rouwtijd van Bathseba voorbij was — klaarblijkelijk na een week (1 Sam. 31:13) — werd zij Davids vrouw en baarde hem ten slotte een zoon. — 2 Sam. 11:1-27.
Maar deze zaak „bleek slecht te zijn in de ogen van Jehovah”. Zijn profeet Nathan bestrafte de koning met een illustratie waarin hij Bathseba vergeleek met het ’ene ooilammetje’ van een arme man (Uria), dat een rijke man (David) wegnam om voor een bezoeker een maaltijd te bereiden. David was diep getroffen en had berouw (Ps. 51), maar overeenkomstig Gods besluit stierf het uit overspel geboren kind, dat niet met name wordt genoemd. David ondervond tengevolge van zijn zonde nog meer narigheid toen jaren later zijn eigen bijvrouwen door zijn zoon Absalom werden onteerd. — 2 Sam. 11:27–12:23; 16:21, 22.
Bathseba vond troost bij haar berouwvolle echtgenoot, die zij herhaaldelijk met „mijn heer” aansprak, zoals Sara dit ten aanzien van haar man had gedaan (1 Kon. 1:15-21; 1 Petr. 3:6), en na verloop van tijd baarde zij hem een zoon genaamd Salomo, die door Jehovah werd bemind en gezegend (2 Sam. 12:24, 25). Zij had ook nog drie andere zonen, Simea, Sobab en Nathan, van wie de laatstgenoemde een voorvader van Jezus’ moeder Maria was. Aangezien Jozef van Salomo afstamde, konden Jezus’ aardse ouders beiden hun afstamming zowel tot Bathseba als tot David terugvoeren. — 1 Kron. 3:5; Matth. 1:6, 16; Luk. 3:23, 31.
Bathseba wordt tegen het einde van de 40-jarige regering van David wederom in het bijbelse verslag genoemd. David had haar gezworen: „Uw zoon Salomo is degene die na mij koning zal worden.” Toen derhalve Salomo’s oudere halfbroer Adonia zich kort voor Davids dood van de troon meester trachtte te maken, herinnerde Bathseba, op aanraden van de profeet Nathan, David aan zijn eed. Onmiddellijk zette David Salomo op de troon en zo werd Bathseba de koningin-moeder. — 1 Kon. 1:5-37.
Nadat Salomo’s troon stevig was bevestigd, verscheen Bathseba als invloedrijke bemiddelaarster vóór hem om ten behoeve van Adonia een verzoek te doen. Salomo „stond dadelijk op om haar tegemoet te gaan en boog zich voor haar neer”. Daarop liet hij voor zijn moeder een troon plaatsen, „opdat zij aan zijn rechterhand kon zitten”. — 1 Kon. 2:13-25.