BAKKEN, BAKKER.
In het Hebreeuwse huisgezin was het bakken van brood en koeken een hoofdtaak van de vrouwen, maar in grotere huisgezinnen bakten ook slaven. Uit naam van Jehovah zei Samuël tot de Israëlieten, die om een menselijke koning hadden gevraagd: „Uw dochters zal hij nemen als zalvenmengsters en kooksters en baksters” (1 Sam. 8:13). Mannen konden echter toezicht houden op het werk of ook zelf bakken. Zo wordt bijvoorbeeld over Lot gezegd, toen hij in Sodom bezoek kreeg van twee engelen: „Hij bakte ongezuurde koeken, en zij gingen [van het aangerechte feestmaal] eten.” — Gen. 19:1-3.
Brood werd in bijbelse tijden meestal in ovens gebakken. (Zie OVEN.) Soms werd echter ook wel op enkele bij elkaar gelegde stenen een vuur ontstoken. Wanneer de stenen heet genoeg waren, werd de as opzij geveegd en legde men het deeg op de stenen. Na een tijdje keerde men het deeg en liet het dan op de stenen liggen totdat het brood goed doorbakken was (Hos. 7:8). Reizigers bakten soms brood van grof gemalen graan in een ondiepe kuil gevuld met hete kiezelstenen, waarop men een vuur had ontstoken. Nadat de gloeiende sintels waren verwijderd, legde men het deeg op de verhitte stenen en keerde het waarschijnlijk terwijl het brood werd gebakken enkele malen om (1 Kon. 19:6). De bedoeïenen bakken nog steeds op deze manier brood, of zij doen dit op een verhitte ijzeren plaat, in het Arabisch sadj genoemd.
De graanoffers van de Israëlieten waren dikwijls „in de vorm van iets wat in de oven gebakken [was]” of kwamen „van de bakplaat” of „uit de diepe vetketel” (Lev. 2:4-7). De bakplaat was een dikke lemen plaat met inzinkingen (te vergelijken met een hedendaags wafelijzer), maar er werden ook ijzeren bakplaten gebruikt. — Ezech. 4:3.
In de steden oefenden beroepsbakkers hun bedrijf uit. Toen Jeremia in het Voorhof van de Wacht in Jeruzalem in verzekerde bewaring was gesteld en het voedsel vóór de val van de stad in 607 v.G.T. zeer schaars werd, kreeg hij dagelijks een rond brood „uit de straat van de bakkers”, zolang de voorraad strekte (Jer. 37:21). Klaarblijkelijk was er in Jeruzalem een bepaalde straat waar de bakkers zich hadden gevestigd. Jaren later, toen onder toezicht van Nehemia de muren van Jeruzalem werden hersteld, werd ook de „Bakovenstoren” gerestaureerd (Neh. 3:11; 12:38). Hoe de toren precies aan zijn naam kwam, is onzeker, maar het is mogelijk dat hij deze ongewone naam kreeg omdat de ovens van de bakkers zich daar bevonden.
Tegenwoordig wordt in de Oriënt het deeg gewoonlijk niet door een bakker bereid. In plaats daarvan wordt het thuis klaargemaakt en dan naar een officiële bakker gebracht. Zo kan men vaak een bakkersknecht zien lopen die een plaat versgebakken brood op zijn hoofd balanceert en het brood bij de klanten aflevert. Ook in bijbelse tijden bakte de bakker wellicht vaak het deeg (en zelfs vlees en groenten) dat hem gebracht werd. Nadat de bakker het brood of de koeken met een lange schep uit de oven had gehaald, vette hij ze soms in. Dat het in de grotere ovens van de oosterse beroepsbakker gebakken brood van uitstekende kwaliteit was, blijkt wellicht uit de volgende Arabische spreuk: „Zend uw brood naar de oven van de bakker, ook al eet hij misschien de helft ervan op.”
In het oude Egypte was de koninklijke bakker kennelijk een belangrijk man. Een muurschildering in het graf van Ramses III in het Dal der Koningen bij Thebe toont een Egyptische koninklijke bakkerij volledig in bedrijf. Daarop is te zien hoe het deeg met de voeten werd gekneed, hoe men de broodkoeken maakte en hoe de oven werd gereedgemaakt.