DOEDELZAK.
Met deze in Daniël 3:5, 10 en 15 voorkomende uitdrukking wordt het Aramese woord soem·pon·jahʹ (een instrument dat enigszins geleken kan hebben op de huidige eenvoudige oosterse doedelzak) weergegeven. De benodigde luchtdichte zak bestaat uit een vaak nog met haren bedekt geitevel zonder poten, staart en kop. In deze zak zijn op fluiten gelijkende pijpen van riet en de uiteinden van koehorens gestoken, alsook een pijp om lucht in de zak te blazen.