BABYLONIË
(Babylo̱nië).
Het land dat in de oudheid in het zuidelijke gedeelte van de vlakte van Mesopotamië lag, waar de Tigris en de Eufraat doorheen stroomden, het zuidoostelijke deel van het huidige Irak. Het strekt zich ongeveer 50 km ten W. van de Eufraat uit en gaat in de Arabische Woestijn over. Ten O. van de Tigris wordt het door het Perzische heuvelland begrensd; in het Z.O. door de Perzische Golf. In het N. vormt een aanzienlijke stijging van het landschap in de buurt van Bagdad een natuurlijke grens. Hier in het N. naderen de twee rivieren elkaar tot op een afstand van 40 km. De vlakte strekt zich ongeveer 400 km naar het Z. uit en is op haar wijdste punt 160 km breed. Dit gebied met een oppervlakte van om en nabij de 21.000 km2 is ongeveer zo groot als de helft van Zwitserland. Babylonië is zo vlak dat de rivieren van de noordelijke grens tot de Perzische Golf slechts een verval van nauwelijks 40 m hebben.
Soms wordt Babylonië door geschiedkundigen onderverdeeld in een noordelijk deel, Akkad (Accad), en een zuidelijk deel, Soemer of Chaldea. Oorspronkelijk werd dit gebied in de Schrift als „het land Sinear” aangeduid (Gen. 10:10; 11:2). Later, toen dominerende heersers Babylon tot hun hoofdstad maakten, kwam het land als Babylonië bekend te staan. Omdat soms Chaldeeuwse dynastieën aan de macht waren, werd het ook wel „het land der Chaldeeën” genoemd (Jer. 24:5; 25:12; Ezech. 12:13). Enkele oude steden in Babylonië waren Adab, Akkad, Babylon, Borsippa, Erech, Kisj, Lagasj, Nippoer en Ur.
Omdat de bodem uit alluviale grond bestond, afkomstig van de twee regelmatig buiten hun oevers tredende rivieren, was het land over het algemeen erg vruchtbaar. Een uitgebreid kanalensysteem, zowel voor irrigatie als drainage, maakte buitengewoon rijke oogsten van gerst, tarwe, dadels, vijgen en granaatappels mogelijk.
Archeologische opgravingen hier in de wieg der beschaving hebben vele interessante feiten over de mensen in het verleden en hun levenswijze aan het licht gebracht. De ontcijfering van duizenden kleitabletten en inscripties onthult dat de mensen reeds lang geleden verdragen sloten, huurcontracten ondertekenden en handel dreven met andere natiën. Zij hadden een stelsel van maten en gewichten en hadden verstand van wiskunde. Door middel van astronomie, alhoewel deze door demonen-aanbiddende astrologen werd beoefend, was men toch in staat de tijd en de beweging van de hemellichamen te bepalen, en op deze wijze werden nuttige kalenders ontwikkeld.
In de eerste helft van de 8ste eeuw v.G.T. werd Babylonië geregeerd door een Assyrische koning met de naam Tiglath-Pileser III (Pul) (2 Kon. 15:29; 16:7; 1 Kron. 5:26). Later, tijdens de regering van Sargon II, riep een Chaldeeër genaamd Merodach-Baladan zichzelf met steun van Elam en enkele Arameeërs tot koning van Babylon uit, maar na enkele jaren werd hij door Sargon verdreven. Sanherib, die Sargon II opvolgde, maakte nog een opstand van Babylon onder leiding van Merodach-Baladan mee. Nadat Sanherib in 732 v.G.T. tevergeefs had geprobeerd Jeruzalem in te nemen, zond Merodach-Baladan afgezanten naar koning Hizkia van Juda, mogelijk om steun te zoeken tegen Assyrië (Jes. 39:1, 2; 2 Kon. 20:12-18). Enkele jaren later verdreef Sanherib Merodach-Baladan en kroonde hij zichzelf tot heerser van Babylon, welke positie hij tot aan zijn dood behield. Zijn zoon Esar-Haddon herbouwde Babylon; deze werd op zijn beurt weer opgevolgd door Assoerbanipal, die door bemiddeling van een onderkoning over Babylonië regeerde. Na de dood van Assoerbanipal schaarden de Babyloniërs zich rond Nabopolassar en stelden hem tot koning aan. Dit was het begin van de Nieuwbabylonische dynastie, die tot Belsazar bleef bestaan.
Klaarblijkelijk werd Assyrië in 632 v.G.T. door deze nieuwe Chaldeeuwse dynastie, met behulp van Medische en Scythische bondgenoten, onderworpen. In 625 versloeg Nabopolassars zoon de Egyptische farao Necho in de slag bij Karkemis, en later in dat jaar nam hij als Nebukadnezar II de regeringsmacht over (Jer. 46:1, 2). In 620 dwong hij Jojakim schatting te betalen, maar na twee jaar kwam Jojakim in opstand. In 618, ofte wel in het derde jaar van Jojakim als schatplichtig regeerder, trok Nebukadnezar tegen Jeruzalem op (2 Kon. 24:1; 2 Kron. 36:6). Maar Jojakim stierf voordat hij door de Babyloniërs gevangengenomen kon worden. Jojachin, die zijn vader was opgevolgd, gaf zich snel over en werd in 617 samen met andere edelen gevankelijk naar Babylon gevoerd (2 Kon. 24:12). Vervolgens werd Zedekia als koning van Juda aangesteld, maar ook hij kwam in opstand, en in 609 belegerden de Babyloniërs Jeruzalem opnieuw. In 607 v.G.T. sloegen zij uiteindelijk een bres in de muren van de stad. — 2 Kon. 25:1-10; Jer. 52:3-12.
Er is op zijn minst één spijkerschrifttablet gevonden waarop melding wordt gemaakt van een veldtocht tegen Egypte in het 37ste jaar van Nebukadnezar (588/587 v.G.T.). Dit kan de gelegenheid zijn geweest waarbij het machtige Egypte onder Babylonische overheersing kwam, zoals de profeet Ezechiël dat, waarschijnlijk in het jaar 591 v.G.T., had voorzegd (Ezech. 29:17-19). Uiteindelijk stierf Nebukadnezar II, na 43 jaar geregeerd te hebben, gedurende welke tijd hij vele natiën had veroverd en in Babylonië zelf een geweldig bouwprogramma had geleid. Hij werd in 581 door zijn zoon Evil-Merodach (Amel-Mardoek) opgevolgd. Deze nieuwe heerser was de in ballingschap levende koning Jojachin gunstig gezind (2 Kon. 25:27-30). De nu volgende periode van de Babylonische geschiedenis is nogal duister. Over Nabonidus en zijn zoon Belsazar, die ten tijde van Babylons val kennelijk samen regeerden, zijn uitvoeriger geschiedkundige inlichtingen beschikbaar.
Intussen waren de Meden en de Perzen onder aanvoering van Cyrus de Grote in opmars om de heerschappij over Babylonië over te nemen en de vierde wereldmacht te worden. In de nacht van 5/6 oktober 539 v.G.T. (Gregoriaanse kalender) werd Babylon ingenomen en Belsazar gedood. Binnen twee jaar vaardigde Cyrus zijn beroemde decreet uit waarin hij bijna 50.000 ballingen toestemming verleende naar Jeruzalem terug te keren. Zo’n 200 jaar later kwam er een eind aan de Perzische overheersing van Babylonië, toen Alexander de Grote in 331 Babylon innam. Tegen het midden van de 2de eeuw v.G.T. was Babylonië in handen van de Parthen onder hun koning Mithradates I. Aangezien in dit land bloeiende joodse gemeenschappen bestonden, ging Petrus, de apostel voor de joden, naar Babylon, en van daaruit schreef hij op zijn minst een van zijn geïnspireerde brieven (Gal. 2:7-9; 1 Petr. 5:13). In deze oosterse gemeenschappen ontwikkelden joodse leiders de Babylonische targoem, ook bekend als de Targoem Onkelos, en vervaardigden zij een aantal handschriften van de Hebreeuwse Geschriften. Een van de belangrijkste oosterse of Babylonische teksten is de Codex Babylonicus Petropolitanus uit 916 G.T., die thans in Leningrad wordt bewaard. In 226 G.T. werd de Parthische overheersing van Babylonië vervangen door de dynastie der Sassaniden (Perzen), en rond 640 G.T. namen Arabische moslims Babylonië in bezit. — Zie BABYLON.