BAÄL-ZEBUB
(Ba̱äl-Ze̱bub) [eigenaar (heer) van de vliegen].
De Baäl die door de Filistijnen in Ekron werd aanbeden. Er bestaan aanwijzingen dat het onder de Hebreeën gebruikelijk was de namen van valse goden te veranderen in iets wat er weliswaar op leek, maar dat vernederend was. Daarom kan het laatste deel „Zebub” een veranderde vorm zijn van „Zebul [Vorst of Verhevene], Heer van de Aarde”, een van de titels van Baäl die in de Ras Sjamra-teksten voorkomt. Sommige geleerden opperen echter dat deze god door zijn aanbidders zo werd genoemd omdat zij geloofden dat hij de voortbrenger van de vliegen was en daarom in staat was deze plaag, die in het Midden-Oosten zo algemeen voorkomt, onder controle te houden. Aangezien Baäl-Zebub met het geven van orakels in verband werd gebracht, houden anderen er de zienswijze op na dat Baäl-Zebub als een god werd beschouwd die door middel van de vlucht of het zoemen van een vlieg orakels uitte. — 2 Kon. 1:2.
De benaming „Beëlzebul” of „Beëlzebub” (die waarschijnlijk „heer der woning” of „heer van de mest” betekent), in de christelijke Griekse Geschriften op de heerser der demonen toegepast, is wellicht een veranderde vorm van „Baäl-Zebub”. — Matth. 12:24.