ASVORSTEN.
Het Hebreeuwse woord sera·nimʹ (enkelvoud: seʹren), waarschijnlijk een Filistijns leenwoord, wordt verschillend weergegeven, bijvoorbeeld met „vorsten” (SV); „asvorsten” (NW); „tyrannen” (PC) en ook met „hoofden” (LXX). Het wordt in het Hebreeuws precies zo geschreven als het woord dat in 1 Koningen 7:30 met „assen” is vertaald. Het is een titel die op de vijf heersers van de Filistijnse steden Gaza, Askelon, Asdod, Ekron en Gath wordt toegepast, blijkbaar omdat zij een coalitie vormden. Volgens Amos 9:7 kwamen de Filistijnen vanuit Kreta, aan de zuidelijke rand van de Egeïsche Zee, naar de kust van Kanaän, om welke reden sommigen dan ook van oordeel zijn dat seʹren een Egeïsch woord is.
De asvorsten regeerden als heersers van afzonderlijke stadstaten over Filistea en vormden een raad van gelijken, die overleg pleegden in zaken van gemeenschappelijk belang. Achis wordt koning van Gath genoemd (1 Sam. 21:10; 27:2). Hij was klaarblijkelijk geen koning in de gebruikelijke zin, maar een vorst. Daarom wordt bij gelegenheid ook de titel „vorst” (Hebreeuws: sar) op deze heersers toegepast. — 1 Sam. 18:30; 29:2-4.
Zij waren gedurende de gehele geschiedenis van Israël, vooral tot aan de tijd dat zij door David onderworpen werden, verbitterde vijanden van Jehovah’s volk en verbonden zich herhaaldelijk met andere natiën om tegen Israël te strijden. De Israëlieten werden dan ook dikwijls door hen onderdrukt. David besnoeide hun macht, zodat zij geen grote bedreiging meer vormden. Na de tijd van David komt de term „asvorsten” niet meer voor, maar wordt de uitdrukking „koning” op hun heersers toegepast. — Jer. 25:20; Zach. 9:5; zie FILISTEA, FILISTIJNEN.