ANATHOTH
(A̱nathoth) [verhoringen, d.w.z. van gebeden].
Een levietenstad in het gebied van Benjamin (Joz. 21:17, 18; 1 Kron. 6:60). De naam leeft voort in het huidige Anata, een klein dorp ongeveer 5 km ten N.N.O. van Jeruzalem; de oorspronkelijke plaats wordt echter met het 800 m ten Z.W. daarvandaan gelegen Ras el-Charrube geïdentificeerd. Vanaf zijn ligging in het heuvelland kan men het Jordaandal en het noordelijke deel van de Zoutzee overzien. Uit Anathoth kwamen twee van Davids sterke mannen (2 Sam. 23:27; 1 Kron. 12:3). Abjathar werd door Salomo naar Anathoth verbannen, waarmee er een eind kwam aan de lijn van hogepriesters uit het huis van Eli (1 Kon. 2:26). Anathoth was een van de steden die door de binnenvallende Assyrische legers werden aangevallen. — Jes. 10:30.
Jeremia kwam uit Anathoth, maar hij was in zijn eigen woonplaats een ’profeet zonder eer’, want men stond hem daar naar het leven omdat hij Jehovah’s boodschap der waarheid verkondigde (Jer. 1:1; 11:21-23; 29:27). Jehovah voorzei derhalve rampspoed voor de stad, en te zijner tijd gebeurde dit ook toen Babylon het land onder de voet liep (Jer. 11:21-23). Vóór de val van Jeruzalem maakte Jeremia gebruik van zijn wettelijke recht om in Anathoth het veld van zijn neef te kopen als teken dat er een terugkeer uit de ballingschap zou zijn (Jer. 32:7-9). Onder de eerste groep die met Zerubbabel uit de ballingschap terugkeerde, bevonden zich 128 mannen uit Anathoth; Anathoth behoorde ook tot de steden die weer bewoond werden. Aldus ging Jeremia’s profetie in vervulling. — Ezra 2:23; Neh. 7:27; 11:32.