AI
(A̱i) [puinhoop]
(ook Ajath en Aja genoemd [Jes. 10:28; Neh. 11:31]). Een koningsstad van de Kanaänieten, de tweede stad die tijdens de inneming van het land door de Israëlieten werd veroverd. Zo’n 470 jaar voordien had Abraham kort na zijn aankomst in Kanaän (1943 v.G.T.) zijn tent „tussen Bethel in het westen en Ai in het oosten” opgeslagen. Hij bouwde daar een altaar en keerde na zijn verblijf in Egypte naar dezelfde plaats terug (Gen. 12:8; 13:3). In 1473 v.G.T., na de overwinning op Jericho, werd Ai door een kleine strijdmacht van ongeveer 3000 Israëlitische soldaten aangevallen, aangezien de verspieders over de inwoners van Ai hadden gezegd: „Zij zijn met weinigen” (Joz. 7:2, 3). Vanwege Achans zonde leed Israël echter de nederlaag (Joz. 7:4-15). Nadat Jozua deze zaak in het reine had gebracht, paste hij een krijgslist tegen Ai toe door aan de achterzijde van de stad, aan de westzijde ervan, een hinderlaag te leggen. De voornaamste strijdmacht liet hij ten N. van de stad opmarcheren, waar een dal of laagvlakte lag. Van hieruit bereidde Jozua een frontale aanval op Ai voor. Nadat Jozua’s strijdkrachten de koning van Ai en een groep mannen uit hun stad hadden weggelokt, deden zij het voorkomen alsof zij zich terugtrokken, totdat hun achtervolgers zich ver genoeg van hun versterkte stad hadden verwijderd. Toen kreeg de hinderlaag het teken om tot de aanval over te gaan, de stad werd ingenomen en in brand gestoken (Joz. 8:1-27). De koning van Ai werd ter dood gebracht en de stad werd „voor onbepaalde tijd tot een puinheuvel [Hebreeuws: tel], tot een woestenij [gemaakt] tot op deze dag”. — Joz. 8:28, 29.
In de dagen van Jesaja (ca. 778–732 v.G.T.) was de stad (misschien ook een aangrenzende plaats) bewoond en zou ze volgens de woorden van de profeet door de koning van Assyrië op zijn mars naar Jeruzalem als eerste worden ingenomen (Jes. 10:28). Na de Babylonische ballingschap keerden onder leiding van Zerubbabel ook Benjaminieten uit Ai naar hun eigen woonplaats terug. — Ezra 2:28; Neh. 7:32; 11:31.
Van Ai wordt gezegd dat het „dicht bij Beth-Aven . . ., ten oosten van Bethel”, lag en dat ten N. ervan een laagvlakte was (Joz. 7:2; 8:11, 12). Naar het schijnt lag Michmas in het Z. (Jes. 10:28). Ai wordt over het algemeen met het huidige et-Tell („de hoop of heuvel”) vereenzelvigd, in welke naam de betekenis van de oorspronkelijke naam bewaard is gebleven. Het ligt ongeveer 3 km ten Z.O. van Bethel (het huidige Betin). Opgravingen die daar van 1933–1935 werden gedaan, geven echter te kennen dat het een grote stad was, die rond het jaar 2000 v.G.T. werd verwoest en daarna tot ongeveer 1050 v.G.T. (volgens archeologische dateringsmethoden) onbewoond bleef. Archeologen hebben daarom verschillende pogingen gedaan om de schriftuurlijke verwijzingen naar Ai anders uit te leggen. De archeoloog J. Simons vindt de vereenzelviging met et-Tell echter onaanvaardbaar wegens de grootte van de stad (Joz. 7:3) en omdat er geen breed dal ten N. van et-Tell ligt (Joz. 8:11), alsook om andere redenen (Archaeological Digest, juli-september 1947, blz. 311). Indien de archeologische datering juist is, moet de plaats ergens anders gezocht worden. De naam zelf identificeert de plaats niet noodzakelijkerwijs, want Sir Frederic Kenyon zegt: „Het is in Palestina een algemeen verschijnsel dat de naam van een verwoeste of verlaten stad op een andere nabijgelegen stad overgaat.” — The Bible and Archaeology, blz. 190.