ABIA
(Abi̱a) [mijn vader is Jah].
Een van Rehabeams 28 zonen, ook Abiam genoemd, die de tweede koning van het tweestammenrijk Juda werd en van 980 tot 977 v.G.T. regeerde (1 Kon. 14:31–15:8). Zowel van vaders- als van moederskant was hij een koninklijke afstammeling van David. In de koninklijke geslachtslijn van Jezus Christus was hij de 16de generatie vanaf Abraham (1 Kron. 3:10; Matth. 1:7). Van alle 18 vrouwen en 60 bijvrouwen die Rehabeam had, hield hij het meest van Maächa (in 2 Kronieken 13:2 Michaja genoemd), de kleindochter van Absalom, en zij werd meer begunstigd dan de anderen doordat haar zoon Abia, ook al was hij niet Rehabeams eerstgeboren zoon, als troonopvolger werd uitgekozen. — 2 Kron. 11:20-22.
Toen Abia in het 18de jaar van koning Jerobeam I van Israël begon te regeren, laaiden de vijandelijkheden tussen het noordelijke en het zuidelijke koninkrijk weer op en kwam het tot een bloedige oorlog. Tegenover Juda’s keurleger van 400.000 machtige strijders stonden 800.000 strijders van Jerobeam in slagorde opgesteld. Door zo’n overmacht geenszins afgeschrikt, richtte Abia zich in een vurige rede tot Jerobeams menigte. Hij veroordeelde hun afgodische kalveraanbidding en herinnerde hen eraan dat Jehovah met David een verbond voor een nimmer eindigend koninkrijk had gesloten. „Bij ons staat de ware God aan de spits”, verklaarde Abia, „strijdt [daarom] niet tegen Jehovah . . ., want gij zult niet succesvol blijken te zijn” (2 Kron. 12:16; 13:1-12). In de hevige strijd die volgde, werd Jerobeams aanval uit de hinderlaag door goddelijk ingrijpen verijdeld. Een half miljoen van zijn soldaten sneuvelden en zo werd zijn militaire macht gebroken. Zelfs de stad Bethel, waar een van de verfoeilijke gouden kalveren was opgericht en waar een afvallige priesterschap was geïnstalleerd, werd ingenomen. En dit alles omdat Abia ’op Jehovah had gesteund’ (2 Kron. 13:13-20). Abia bleef niettemin in de zonden van zijn vader Rehabeam wandelen door toe te laten dat de hoge plaatsen, de heilige zuilen en zelfs de mannelijke tempelprostitués in het land bleven bestaan. „Zijn hart bleek niet onverdeeld met Jehovah, zijn God, te zijn” (1 Kon. 14:22-24; 15:3). Hij had 14 vrouwen en 38 kinderen. Bij zijn dood werd hij door zijn zoon Asa opgevolgd. — 2 Kron. 13:21; 14:1.