ZERA
(Ze̱ra) [misschien een verkorte vorm van Zerahja].
1. Een Edomitisch stamhoofd. Zera was de zoon van Rehuël en de kleinzoon van Esau en Basmath, Ismaëls dochter (Ge 36:3, 4, 13, 17; 1Kr 1:37). Misschien dezelfde als nr. 2.
2. Vader van Jobab, de tweede Edomitische koning; hij kwam uit Bozra (Ge 36:33; 1Kr 1:44). Mogelijk dezelfde als nr. 1.
3. Een zoon van Juda en Tamar; tweelingbroer van Perez (Ge 38:27-30; Mt 1:3). Zera was een van degenen „die met Jakob naar Egypte kwamen” (Ge 46:12, 26). Uit zijn vijf zonen (1Kr 2:4, 6) ontstond een van de families van de stam Juda (Nu 26:20), waartoe later personen behoorden als Achan (Joz 7:1, 17, 18, 24; 22:20), twee van Davids legerleiders (1Kr 27:11, 13) en sommige inwoners van het Jeruzalem na de ballingschap (1Kr 9:3, 6; Ne 11:22, 24).
4. Een zoon van Simeon en stichter van een familie in die stam (1Kr 4:24; Nu 26:12, 13). In Genesis 46:10 en Exodus 6:15 wordt hij Zohar genoemd.
5. Een nakomeling van Gerson (Gersom), de zoon van Levi (1Kr 6:16, 20, 21; vgl. Ge 46:11). De in 1 Kronieken 6:41 genoemde Zera kan betrekking hebben op dezelfde persoon.
6. Een Ethiopiër of Kuschiet die in 967 v.G.T., tijdens Asa’s regering, met een gigantisch leger van een miljoen man en 300 wagens Juda binnenviel. Zera werd verslagen, en zijn vluchtende soldaten, die men „tot aan Gerar” achtervolgde, werden gedood (2Kr 14:1, 9-15). Een identificatie van Zera met een uit de wereldlijke geschiedenis bekende Egyptische of Ethiopische heerser is nog niet mogelijk geweest.