ZELAFEAD
(Zela̱fead) [misschien: Schaduw (beschutting) tegen angst].
Een nakomeling van Manasse via Machir, Gilead en Hefer (Nu 26:29-33). Zelafead was tijdens de veertigjarige omzwerving in de wildernis gestorven, niet met „hen die zich tegen Jehovah schaarden in de vergadering van Korach, maar . . . om zijn eigen zonde” (Nu 27:3). Hij had geen zonen, maar liet vijf dochters na: Machla, Noa, Hogla, Milka en Tirza, die allen het Beloofde Land binnengingen. — Nu 27:1; 1Kr 7:15.
Deze bijzondere situatie schiep problemen in verband met de erfelijke bezitting. Toen Zelafeads dochters om het landerfdeel van hun vader in Manasse vroegen, legde Mozes hun zaak aan Jehovah voor. Gods rechterlijke beslissing luidde dat dochters die geen broers hadden, het erfdeel van de familie zouden ontvangen (Nu 27:1-9; Joz 17:3, 4). Later werd nader bepaald dat deze dochters met mannen uit de stam van hun vader moesten trouwen, zodat het erfdeel binnen de stam zou blijven. — Nu 36:1-12.