ULAM (U̱lam). 1. Vader van Bedan; uit de stam Manasse. — 1Kr 7:14, 16, 17. 2. Een verre nakomeling van Saul, uit de stam Benjamin; zijn zonen waren uitnemende boogschutters. In de tijd van de kroniekschrijver had Ulam zo’n 150 nakomelingen, „zonen en kleinzonen”. — 1Kr 8:33, 39, 40.