VERRADER
Iemand die misbruik maakt van andermans vertrouwen, een verplichting ontrouw wordt of verraderlijk handelt tegenover zijn land of regeerder. De meest verfoeilijke verrader die in de bijbel wordt genoemd, is „Judas Iskariot, die een verrader werd” (Lu 6:16). Het Griekse zelfstandig naamwoord proʹdo·tes („verrader”, van een werkwoord dat „prijsgeven; uit- of overleveren; verraden” betekent) vormt een passende aanduiding voor Judas, want nadat hij als een apostel was uitgekozen, werd hij een hebzuchtige gewoontedief (Jo 12:6) en verried Jezus ten slotte aan de autoriteiten voor een relatief gering bedrag (Mt 26:14-16, 25, 48, 49). Hij liet Jezus niet slechts tijdelijk in de steek om een schijnbaar gevaarlijke situatie te ontvluchten (Mr 14:50), maar hij verried Jezus opzettelijk aan degenen die hem zochten te doden.
De joodse religieuze leiders werden terecht „verraders en moordenaars” genoemd, want zij bedienden zich van de verrader Judas, leverden hun landgenoot Christus eigenhandig aan de Romeinen over en maakten zich vervolgens aan rechtsverdraaiing schuldig door zich tegen de vaststelling van Jezus’ onschuld te verzetten en zijn dood te eisen. — Jo 18:28–19:16; Han 3:13-15; 7:52.
Een ander in het oog springend voorbeeld van een verrader die in de bijbel wordt vermeld, is Achitofel. Hoewel hij de vertrouwde raadsheer van koning David was geweest, sloot hij zich bij de opstand van Absalom aan (2Sa 15:12, 31; 16:20-23; vgl. Ps 55:20, 21). God verijdelde de raad van de verraderlijke raadgever, waarop Achitofel zelfmoord pleegde (2Sa 17:23). Kennelijk heeft David ervaren dat ook anderen zich tegen hem keerden. Een aantal hedendaagse bijbelvertalingen (GNB; NBG; PC) geven het meervoudige Hebreeuwse deelwoord van ba·ghadhʹ (dat „verraderlijk handelen” betekent) in Psalm 59:5 (6) met „verraders” weer, zo ook de Nieuwe-Wereldvertaling: „Betoon geen der schadelijke verraders gunst.” Uit het opschrift blijkt dat deze psalm betrekking heeft op het voorval waarbij Saul mannen zond om Davids huis te bewaken, teneinde hem te doden (1Sa 19:11-18). De „verraders” die in Psalm 59:5 worden genoemd, kunnen dus metgezellen van David zijn geweest die hem in de steek hadden gelaten of die bereid waren hem in dat uur van beproeving te verraden. Ook kan het woord „verraders” betrekking hebben op allen die Gods wil tegenstaan, hetzij Israëlieten of niet-Israëlieten, aangezien in de voorgaande woorden een beroep op God wordt gedaan om zijn aandacht „op alle natiën” te richten.
De profetie in 2 Timotheüs 3:1-5 over de toestanden die in „de laatste dagen” zouden bestaan, geeft te kennen dat er veel verraders (Gr.: proʹdo·tai) zouden zijn. Christenen kregen de raad zich van zulke personen ’af te keren’, zoals het mensen past die ernaar streven in alle dingen loyaal en eerlijk te zijn. — 1Th 2:10; Heb 13:18.