TAMMUZ (II)
(Ta̱mmuz).
Na de ballingschap de naam van de vierde joodse maanmaand van de godsdienstige kalender, maar de tiende maand van de burgerlijke kalender. Daarom is in de Targoem Jonathan de uitdrukking „de tiende maand” in Genesis 8:5 weergegeven met „de maand Tammuz”. Tammuz was de naam van een Babylonische godheid (Ez 8:14). In het bijbelse verslag wordt de vierde maand niet Tammuz genoemd maar alleen aangeduid door haar maandnummer (Ez 1:1). De naam komt echter wel voor in de joodse misjna (Taʽanit 4:6) en in andere werken uit de tijd na de ballingschap. De joden bezigden de heidense naam Tammuz voor de vierde maand wellicht alleen voor het gemak, net zoals zij ook andere na-exilische namen gebruikten. Men dient te bedenken dat zij destijds een onderworpen volk waren en dat zij met buitenlandse machten te maken hadden, die hen overheersten en aan wie zij bericht moesten uitbrengen. Daarom is het niet verwonderlijk dat zij de namen van de maanden gebruikten die bij deze buitenlandse machten in zwang waren. De Gregoriaanse kalender, die tegenwoordig wordt gebruikt, heeft maanden die genoemd zijn naar de goden Janus en Mars, en de godin Juno, alsook naar de caesars Julius en Augustus; toch maken christenen, die onderworpen zijn aan „de superieure autoriteiten”, van deze kalender gebruik. — Ro 13:1.
Deze maand, Tammuz, kwam overeen met juni/juli en viel derhalve in de tijd van de opkomende zomerhitte. Tegen deze tijd werden de eerste druiven rijp. — Nu 13:20.
Op de negende dag van deze vierde maand (Tammuz) in 607 v.G.T. sloeg Nebukadnezar na een beleg van achttien maanden een bres in de muren van Jeruzalem (2Kon 25:3, 4; Jer 39:2; 52:6, 7). Gedurende de daaropvolgende zeventig jaar van ballingschap bestond onder de joden de gewoonte om op de negende dag van de vierde maand te vasten teneinde de inname van Jeruzalem te herdenken (Za 8:19). Na de tweede verwoesting van Jeruzalem, in 70 G.T., verschoven zij de vasten echter naar de zeventiende dag van de vierde maand, de dag waarop de Romeinse generaal Titus een bres in de muren van de tempel had geslagen. Er waren in deze maand geen door Jehovah voorgeschreven feesten.