TAMARISK
[Hebr.: ʼeʹsjel].
De tamarisk komt als boom en als struik voor. Hoewel de stam knoestig is, zijn de takken in de regel dun vertwijgd, waardoor de boom een gevederd aanzien krijgt. De altijdgroene blaadjes zijn klein, schubvormig, en liggen dicht tegen de takken aangedrukt, zodat ze zeer weinig vocht verliezen door transpiratie, waardoor de boom in woestijngebieden en zelfs op zandduinen kan gedijen. In het voorjaar geven de bloeiende bomen met hun bloeiaren van kleine roze of witte bloemen een frisse kleur aan de anders dorre streken. De in zilte grond goed gedijende tamarisken groeien dikwijls heel dicht bij de zee en in zoutmoerassen. Langs de oevers van de Jordaan vormen de vele tamarisken een zeer dicht struikgewas, waarin wilde dieren verblijf houden, en in bijbelse tijden kan het „trotse struikgewas langs de Jordaan” waar leeuwen eens een schuilplaats vonden, voor een deel uit tamarisken hebben bestaan. — Jer 49:19; Za 11:3.
Tamarisken kunnen groeien in droge gebieden zoals Berseba, waar Abraham er een plantte
Over het algemeen blijft een tamarisk betrekkelijk laag, maar er is één soort tamarisk (Tamarix aphylla) die soms wel 18 m hoog wordt. Over Abraham wordt bericht dat hij een tamarisk in Berseba plantte (Ge 21:33), koning Saul zat te Gibea in de schaduw van een tamarisk (1Sa 22:6), en zijn gebeente alsook dat van zijn zonen werd onder een grote tamariskboom in Jabes-Gilead begraven. — 1Sa 31:13; vgl. 1Kr 10:12, waar het Hebreeuwse woord voor „grote boom” (ʼe·lahʹ) wordt gebruikt.
„’De eerste boom, die Abraham in de bodem van Berseba plantte, was een tamarisk,’ verklaarde dr. Joseph Weitz, de Israëlische bosbouwdeskundige. ’Naar zijn voorbeeld hebben wij er in dit gebied twee miljoen geplant. Abraham had het enig juiste gedaan. Want de tamarisk is één der weinige bomen die, zoals wij hebben geconstateerd, in het zuiden, waar de jaarlijkse neerslag onder de 150 millimeter blijft, nog gedijen.’” — En de bijbel heeft toch gelijk, door Werner Keller, herziene uitgave, blz. 389.
Een andere soort tamarisk (Tamarix mannifera) scheidt, wanneer hij door een schildluis gestoken wordt, druppels honingachtig sap af, die worden verzameld en in sommige plaatsen als „manna” aan bedevaartgangers worden verkocht. Dit heeft echter niets te maken met het manna dat de Israëlieten in de wildernis werd gegeven, want dat echte manna werd door een wonder verschaft en van de grond opgeraapt. — Ex 16:13-15.