VERSPIEDERS
Personen die op geheime verkenning uitgaan. In 1512 v.G.T. zond Mozes vanuit Israëls legerkamp in de Wildernis van Paran twaalf oversten (vertegenwoordigers van alle stammen, behalve de stam Levi) om het land Kanaän te verkennen. Jehovah had daarvoor zijn toestemming gegeven nadat de Israëlieten hem het volgende verzoek hadden gedaan: „Laten wij toch mannen voor ons uit zenden om het land voor ons te verkennen en ons verslag uit te brengen over de weg waarlangs wij dienen op te trekken en over de steden waar wij zullen komen” (De 1:22, 23). De verspieders verspreidden zich waarschijnlijk, misschien twee aan twee, en trokken het land door, „tot de toegang van Hamath” in het N en tot aan de zee in het W (Nu 13:21; zie HAMATH, HAMATHIET). Toen zij terugkeerden, waren allen het erover eens dat het land werkelijk ’vloeide van melk en honing’, maar toch brachten tien van de verspieders een van weinig geloof getuigend bericht uit, waardoor de Israëlieten bang werden. Alleen Jozua en Kaleb moedigden hen aan het land binnen te trekken en het in bezit te nemen. Omdat het de Israëlieten aan geloof ontbrak en zij zich door het slechte bericht lieten beïnvloeden, zei God dat alle mannen van twintig jaar oud en daarboven gedurende een veertigjarige omzwerving in de wildernis zouden sterven; alleen Jozua en Kaleb alsook de stam Levi vormden een uitzondering. — Nu 13:1-33; 14:6-38; De 1:24-40.
In 1473 v.G.T. zond Jozua twee verspieders naar de overkant van de Jordaan om Jericho te verspieden. Daar de hoer Rachab de verspieders hulp had geboden, werd zij met haar huisgezin bij de val van Jericho gespaard (Joz 2:1-24; 6:1, 22-25; Heb 11:31). Over verspieders wordt ook gesproken in Rechters 1:22-26; 18:1-10, 14, 17 en 1 Samuël 26:4. De boden die David naar koning Hanun van Ammon stuurde, werden ervan beschuldigd verspieders te zijn en werden slecht behandeld (2Sa 10:1-7). Absalom zond verspieders door heel Israël, niet zozeer om inlichtingen voor zijn samenzwering tegen David in te winnen, maar om mensen ertoe aan te zetten zijn rebellie te steunen. — 2Sa 15:10-12.
De apostel Paulus schreef over het bezoek dat hij met Barnabas en Titus aan Jeruzalem had gebracht, en maakte daarbij melding van „heimelijk binnengebrachte valse broeders, die waren binnengeslopen om onze vrijheid die wij in eendracht met Christus Jezus hebben te bespieden”. — Ga 2:1-5.