SOFERETH
(Sofe̱reth) [van een grondwoord dat „tellen” betekent].
Klaarblijkelijk de voorvader van een familie („de zonen van Sofereth”) onder „de zonen van de knechten van Salomo”, die uit de Babylonische ballingschap terugkeerden (Ezr 2:55; Ne 7:57). Ezra plaatst het bepalend lidwoord vóór So·feʹreth, waardoor Has·so·feʹreth ontstaat, wat mogelijk „de schrijver” betekent. Sommigen opperen dat de zonen van Sofereth een groep schrijvers of afschrijvers waren. Uit de betekenis van sommige, maar niet alle namen in de opsomming zou af te leiden zijn dat er op een beroep wordt geduid.