SUAH
(Su̱ah).
1. De als zesde en laatste genoemde zoon van Abraham bij zijn tweede vrouw Ketura (1Kr 1:32). Abraham gaf Suah en zijn vijf broers geschenken en zond hen uit zijn huis weg in oostelijke richting (Ge 25:1, 2, 5, 6). Sommigen denken dat Suah’s nakomelingen, de Suhieten, langs de Eufraat gewoond hebben, tussen twee van haar zijrivieren, de Balikh en de Khabur. De enige Suhiet die in de bijbel met name genoemd wordt, is Jobs metgezel Bildad. — Job 2:11.
2. Uit de stam Aser; de eerstgenoemde zoon van Zofah. Hij was een van de stamvaders van de ongeveer 26.000 uitgelezen, dappere, sterke mannen van het leger van Israël. — 1Kr 7:30, 36, 40.