SOMER
(So̱mer) [van een grondwoord dat „behoeden” betekent].
1. Een nakomeling van Aser; zijn vier zonen waren oversten en familiehoofden. Zijn naam wordt ook als Semer gespeld. — 1Kr 7:30, 32, 34, 40.
2. Jozabad, een van de moordenaars van de Judese koning Joas, wordt zowel de zoon van Somer als de zoon van „Simrith, de Moabitische” genoemd (2Kon 12:21; 2Kr 24:26). Somer is in het Hebreeuws een mannelijk woord; Simrith is vrouwelijk. Sommigen houden Somer voor de vader van Jozabad en Simrith voor zijn moeder. Somer kan echter ook de vader van Simrith zijn geweest. In dit geval zou Jozabad de kleinzoon van Somer zijn geweest, aangezien de term „zoon” vaak nakomeling betekent.