SEMER
(Se̱mer) [misschien van een grondwoord dat „behoeden” betekent].
1. Een nakomeling van Aser, misschien zijn achterkleinzoon. Vier zonen van Semer worden met name genoemd (1Kr 7:30, 34). In 1 Kronieken 7:32 wordt Semer als Somer gespeld.
2. Een leviet uit de familie der Merarieten en voorvader van Ethan. — 1Kr 6:44-47.
3. De eigenaar van de berg Samaria; mogelijk een stam en geen persoon, want „Samaria” betekent „Behorend tot de clan Semer”. Omri, de koning van Israël, kocht de berg voor twee talenten zilver ($13.212) en begon omstreeks 945 v.G.T. van daar uit te regeren. — 1Kon 16:23, 24.