SEMA
(Se̱ma).
[1-4: Melodieus geluid]
1. Een zoon van Hebron en de vader van Raham in de afstammingslijn van Juda via Kaleb. — 1Kr 2:42-44.
2. Een nakomeling van Ruben. — 1Kr 5:3, 8.
3. Hoofd van een Benjaminitisch huis. Sema vestigde zich in Ajalon en behoorde tot degenen die de inwoners van Gath verjoegen (1Kr 8:12, 13). Waarschijnlijk dezelfde als de in 1 Kronieken 8:21 genoemde Simeï, van wie gezegd wordt dat hij de vader van negen zonen was. — 1Kr 8:19-21.
4. Een van de zes mannen die aan Ezra’s rechterzijde stonden toen hij het bijeengekomen volk uit de Wet voorlas; waarschijnlijk een priester. — Ne 8:4.
5. Een stad in het Z van Juda (Joz 15:21, 26), misschien dezelfde als de Simeonitische enclavestad Seba (Joz 19:1, 2). Sommigen zijn van mening dat Sema dezelfde stad was als Jesua en identificeren haar met Tell es-Saʽweh (Tel Yeshuʽa), ongeveer 15 km ten ONO van Berseba.