REDDER
Iemand die anderen van gevaar bevrijdt of voor de vernietiging behoedt. Jehovah wordt als de voornaamste Redder, de enige Bron van bevrijding, geïdentificeerd (Jes 43:11; 45:21). Telkens weer trad hij als Redder en Bevrijder van Israël op (Ps 106:8, 10, 21; Jes 43:3; 45:15; Jer 14:8). Hij redde niet alleen de natie, maar ook afzonderlijke personen die hem dienden (2Sa 22:1-3). Vaak redde hij door bemiddeling van mannen die hij als redders verwekte (Ne 9:27). In de periode van de rechters koos God deze speciale redders uit en stelde hen in staat Israël van de onderdrukking door andere natiën te bevrijden (Re 2:16; 3:9, 15). Zolang de rechter leefde, hielp hij de Israëlieten op de rechte weg te blijven, waardoor zij van hun vijanden werden bevrijd (Re 2:18). Tijdens Jezus’ verblijf op aarde was Jehovah zijn Redder, die hem steunde en sterkte opdat hij gedurende zijn zware beproevingen zijn rechtschapenheid kon bewaren. — Heb 5:7; Ps 28:8.
Jehovah trad niet alleen als Redder op, maar ook als „Terugkoper” (Jes 49:26; 60:16). In het verleden verloste hij zijn volk Israël uit gevangenschap. Christenen worden bevrijd van de slavernij aan de zonde doordat hij hen door bemiddeling van zijn Zoon Jezus Christus, Jehovah’s voorziening voor redding, terugkoopt (1Jo 4:14), waardoor Jezus als „Voornaamste Gevolmachtigde en Redder” verhoogd wordt (Han 5:31). Bijgevolg kan Jezus Christus terecht „onze Redder” worden genoemd, ook al bewerkt hij de redding als de gevolmachtigde van Jehovah (Tit 1:4; 2Pe 1:11). De naam Jezus, die op aanwijzing van een engel aan Gods Zoon werd gegeven, betekent „Jehovah is redding”, want, zo zei de engel, „hij zal zijn volk van hun zonden redden” (Mt 1:21; Lu 1:31). Deze naam laat uitkomen dat Jehovah de Bron van redding is, die door bemiddeling van Jezus tot stand wordt gebracht. Om deze reden worden de Vader en de Zoon in verband met redding samen genoemd. — Tit 2:11-13; 3:4-6.
Door bemiddeling van Jezus Christus redt Jehovah „alle soorten van mensen” (1Ti 4:10). Hij redt hen van zonde en dood (Ro 8:2), van Babylon de Grote (Opb 18:2, 4), van deze door Satan beheerste wereld (Jo 17:16; Kol 1:13), en van de vernietiging en de eeuwige dood (Opb 7:14-17; 21:3, 4). Openbaring 7:9, 10 laat „een grote schare” zien, die redding aan God en aan het Lam toeschrijft.
Het loskoopoffer is de basis voor redding, en als Koning en eeuwige Hogepriester heeft Christus Jezus de autoriteit en de macht „om degenen die door bemiddeling van hem tot God naderen, volledig te redden” (Heb 7:23-25; Opb 19:16). Hij is een „redder van dit lichaam”, de gemeente van zijn gezalfde volgelingen, en ook van allen die in hem geloof oefenen. — Ef 5:23; 1Jo 4:14; Jo 3:16, 17.