GRANAATAPPEL
[Hebr.: rim·mōnʹ].
De rijpe vrucht is kastanjebruin en heeft de vorm van een appel met aan de onderkant een rozet of kroon. Binnen de leerachtige schaal bevinden zich tal van kleine, sappige zaaddoosjes, die elk een kleine roze of rode zaadkorrel bevatten.
De granaatappelboom (Punica granatum), ook aangeduid met het Hebreeuwse woord rim·mōnʹ, groeit overal in het Midden-Oosten. Hij wordt zelden hoger dan 4,5 m. Zijn talrijke breed uitstaande takken dragen donkergroene, speerpuntvormige bladeren en koraalrode tot scharlakenrode bloemen. — AFB.: Deel 1, blz. 742.
Het sap van de granaatappel is een verfrissende drank (Hgl 8:2). Uit de zaden wordt een siroop bereid, grenadine genaamd, en de bloemen worden gebruikt voor de vervaardiging van een adstringerend geneesmiddel tegen dysenterie. De slapen van de Sulammitische, achter haar sluier, werden met „een granaatappelschijfje” vergeleken en haar huid met „een paradijs van granaatappels”. — Hgl 4:3, 13; 6:7.
Bij monde van Mozes beloofde Jehovah de natie Israël dat Hij hen in een land zou brengen dat rijk was aan tarwe, gerst, wijnstokken, vijgen, granaatappels, olijven en honing (De 8:7-9). Voorafgaand daaraan hadden de verspieders het land verkend en waren met druiven, vijgen en granaatappels teruggekeerd (Nu 13:2, 23). Uit het in Numeri 20:5 opgetekende geklaag van de Israëlieten blijkt dat zij de granaatappel reeds uit Egypte kenden.
Aan de zoom van de schoudermantel van de hogepriester Aäron was een rij granaatappels van blauw draad, ineengedraaid met roodpurpergeverfde wol en karmozijnen stof, afgewisseld met gouden belletjes, aangebracht (Ex 28:33, 34; 39:24-26). Toen later de tempel werd gebouwd, werden de kapitelen van de twee koperen zuilen aan de voorhal van het huis met kettingen van koperen granaatappels versierd. — 1Kon 7:18, 20, 42; 2Kon 25:17; 2Kr 3:16; 4:13; Jer 52:22, 23.
In bijbelse tijden werden veel granaatappelbomen aangeplant, en de plaatsen Rimmon, En-Rimmon en Gath-Rimmon ontleenden hun naam ongetwijfeld aan het feit dat er in hun omgeving veel granaatappelbomen groeiden (Joz 15:32; 19:45; Ne 11:29). De boom werd zeer gewaardeerd en wordt derhalve vaak in samenhang met andere belangrijke vruchtdragende gewassen, zoals de wijnstok en de vijgeboom, genoemd. — Hgl 7:12, 13; Joë 1:12; Hag 2:19.