FEREZIETEN
(Ferezi̱e̱ten).
Een van de stammen die het land Kanaän bewoonden voordat de Israëlieten het in bezit namen (Ge 13:3-7; 34:30; Ex 3:8, 17). De Ferezieten worden niet vermeld in de lijst van zeventig families na de Vloed, waarop de namen voorkomen van „de families van de Kanaäniet” (Ge 10:15-18). Hun herkomst is onbekend.
De Ferezieten behoorden tot de stammen die het land bewoonden dat God aan Abrahams zaad had beloofd (Ge 15:18-21; Ne 9:7, 8). Ten tijde van de verovering van het Beloofde Land door de Israëlieten woonden er Ferezieten in het bergland van Kanaän (Joz 11:3). Toen de stam Juda het hun toegewezen gebied binnentrok, versloegen zij de Ferezieten en de Kanaänieten te Bezek, dat ten W van Jeruzalem schijnt te hebben gelegen (Re 1:4, 5; Joz 24:11). Nadat het land Kanaän door de Israëlieten was verdeeld, bleven er enige Ferezieten in het gebied van Efraïm en Manasse wonen. — Joz 17:15-18.
De Ferezieten behoorden tot de zeven volkrijke en machtige natiën ten aanzien waarvan Jehovah Israël herhaaldelijk gebood ze uit te roeien wanneer zij het Beloofde Land binnentrokken. Men mocht geen verbond noch een echtverbintenis met hen aangaan, en ook mocht hun geen gunst worden betoond (Ex 23:23, 24; 33:2; 34:11-13; De 7:1-3; Joz 3:10). De Israëlieten bleven echter in gebreke hen uit te roeien, en zoals was voorzegd, werden de Ferezieten Israël tot een strik. — De 7:4; 20:17, 18; Re 3:5, 6.
In Salomo’s tijd werden enkele overgebleven Ferezieten tot dwangarbeid verplicht (1Kon 9:20, 21; 2Kr 8:7, 8). Ezra kwam erachter dat de joden die uit de Babylonische ballingschap waren teruggekeerd, echtverbintenissen met hen waren aangegaan. Op zijn aanraden zonden zij de buitenlandse vrouwen echter weg (Ezr 9:1, 2; 10:11, 12, 44). De Ferezieten worden in de latere bijbelse geschiedenis niet vermeld.