PARTHEN
(Pa̱rthen) [Van (behorend tot) Parthië].
Joden en proselieten uit Parthië worden als eersten genoemd onder degenen die in 33 G.T. het pinksterfeest in Jeruzalem bijwoonden. Gods heilige geest, die op de groep van ongeveer 120 christelijke discipelen werd uitgestort, stelde hen in staat het goede nieuws in de taal of het dialect van die Parthen bekend te maken, van wie er enkelen ongetwijfeld gunstig reageerden, christenen werden en waarschijnlijk na hun terugkeer naar Parthië de boodschap onder hun eigen volk verbreidden (Han 1:15; 2:1, 4-12, 37-47). De natuurlijke joden uit Parthië behoorden tot de diaspora; de „proselieten” (Han 2:10) waren tot het judaïsme bekeerde niet-joden.
Het Parthische Rijk ontstond ten ZO van de Kaspische Zee, maar strekte zich na verloop van tijd van de Eufraat tot aan India uit. Vanaf de tijd van koning Cyrus waren de Parthen onderworpen aan de Perzen. Toen de Parthen later door de Grieken werden overheerst, kwamen zij in opstand tegen de opvolgers van Alexander de Grote en wisten hun onafhankelijkheid — zelfs van Rome — verscheidene eeuwen te behouden. Zij voerden enkele jaren de heerschappij over Judea, totdat zij het aan de Romeinen verloren. In de 1ste eeuw waren de Parthen nog steeds een onafhankelijke natie, en hoewel zij de overheersende Perzische religie beoefenden, tolereerden zij de religie van de joden en de religies van anderen.