ONESIMUS
(One̱simus) [Nuttig].
Een weggelopen slaaf die met Paulus’ hulp een christen werd. Onesimus was een knecht geweest van Filemon, een christen in Kolosse, maar was weggelopen en naar Rome gevlucht. Misschien heeft hij zijn meester eerst wel bestolen om de reis te kunnen maken (Kol 4:9; Flm 18). Het is heel goed mogelijk dat hij door toedoen van Filemon met Paulus in contact was gekomen of op zijn minst van hem gehoord had, want hoewel er niet specifiek wordt vermeld dat Paulus op zijn zendingsreizen Kolosse bezocht, bereisde hij het gebied en kende hij Filemon (Han 18:22, 23; Flm 5, 19, 22). Hoe dan ook, op de een of andere niet-vermelde manier kwam Onesimus in Rome met Paulus in contact en werd hij al gauw een christen (Flm 10). Terwijl hij vroeger voor Filemon onbruikbaar was als slaaf, werd hij nu voor Paulus zeer bruikbaar als bedienaar, een „getrouwe en geliefde broeder”, en Paulus noemt hem „mijn eigen tedere genegenheden”. — Kol 4:9; Flm 11, 12.
Niettemin was Onesimus nog steeds een weggelopen slaaf en moest Paulus hem wegens het bestaande maatschappelijke bestel naar zijn eigenaar terugzenden, wat Paulus node deed omdat Onesimus zo’n goede metgezel voor hem was geworden. De apostel kon Onesimus echter niet dwingen om terug te gaan, dus hing het van Onesimus’ eigen bereidwilligheid af of hij zou terugkeren. Toen Paulus Onesimus heenzond, trof hij er regelingen voor dat Tychikus hem vergezelde en dat beiden een brief en een bericht naar Kolosse meenamen (Kol 4:7-9). Bovendien gaf Paulus Onesimus zijn brief voor Filemon mee, ook al verwachtte hij spoedig uit zijn gevangenschap vrijgelaten te worden en zag hij ernaar uit Filemon persoonlijk te bezoeken (Flm 22). Deze laatstgenoemde brief zou men een aanbevelingsbrief kunnen noemen, waarin werd bepleit Onesimus terug te nemen. Daarin verzekerde Paulus Filemon dat Onesimus een goede christelijke bedienaar was en de nieuwe persoonlijkheid had aangedaan, en hij deed een dringend beroep op Filemon om de hereniging meer een herstel van de band tussen twee christenen te laten zijn dan een herstel van de slaaf-meesterverhouding. Paulus vroeg om elke eventuele openstaande schuld die Onesimus bij Filemon had, op rekening van de apostel te zetten (Flm 12-22). Terloops zij opgemerkt dat Paulus in de brief aan de Kolossenzen die Onesimus en Tychikus overbrachten, de christelijke beginselen besprak die de verhouding tussen een slaaf en zijn meester regelen. — Kol 3:22–4:1.