NETOFA
(Neto̱fa) [van een grondwoord dat „druipen; druppelen” betekent], Netofathieten (Netofathi̱e̱ten).
Een dorpje in Juda, waarschijnlijk gelegen bij Khirbet Bedd Faluh, ongeveer 4 km ten ZZO van Bethlehem; de bewoners van Netofa heetten Netofathieten. De bijbel spreekt vooral over de bewoners, die oorspronkelijk blijkbaar verwant waren aan degenen die zich in Bethlehem vestigden. — 1Kr 2:54.
Davids sterke mannen Maharai en Heleb (Heled; Heldai), die beiden het hoofd van een legerafdeling werden, waren Netofathieten (2Sa 23:8, 28, 29; 1Kr 11:26, 30; 27:13, 15). Enkele Netofathieten werden na de algemene deportatie naar Babylon in Juda achtergelaten, en zij steunden stadhouder Gedalja (2Kon 25:23; Jer 40:8). Een aantal Netofathitische nakomelingen van degenen die naar Babylon waren weggevoerd, keerden in 537 v.G.T. met Zerubbabel terug (Ezr 2:1, 2, 22; Ne 7:26). Sommige levieten die in de nederzettingen van de Netofathieten woonden, kwamen naar Jeruzalem voor de inwijding van de herbouwde muur. — 1Kr 9:14, 16; Ne 12:27, 28.