NEMUËL
(Ne̱muël).
1. Eerstgenoemde zoon van Simeons vijf zonen en familiehoofd van de Nemuëlieten (Nu 26:12-14; 1Kr 4:24). In de opsomming van degenen die samen met Jakob naar Egypte kwamen, wordt hij Jemuël genoemd. — Ge 46:8, 10; Ex 6:15.
2. Zoon van Eliab en achterkleinzoon van Ruben. Zijn broers waren de opstandelingen Dathan en Abiram, die door de aarde werden verzwolgen. — Nu 26:5, 8, 9; De 11:6.