NAALD, OOG VAN EEN
In een illustratie die verband houdt met het binnengaan in het Koninkrijk, zei Jezus Christus: „Voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke het koninkrijk Gods binnen te gaan” (Mt 19:24; Mr 10:25). Sommigen zijn van mening geweest dat met het oog van een naald een kleine poort werd bedoeld waar een kameel, die van zijn last was ontdaan, nog net doorheen kon. Maar het Griekse woord voor „naald” dat in Mattheüs 19:24 en Markus 10:25 voorkomt (rhaʹfis), is afgeleid van een werkwoord dat „naaien” betekent. Ook het Griekse woord dat voorkomt in de parallelle passage, in Lukas 18:25 (beʹlo·ne), heeft gewoonlijk betrekking op een letterlijke hechtnaald. Betreffende deze Griekse termen wordt in Vine’s Expository Dictionary of Old and New Testament Words het volgende gezegd: „In de uitdrukking ’het oog van een naald’ een toepassing te willen lezen op kleine poortopeningen, schijnt modern te zijn, maar in het verleden vindt men er geen spoor van. De Heer wilde met deze uitspraak het menselijk onmogelijke van een zaak tot uitdrukking brengen, en er bestaat geen noodzaak te proberen de moeilijkheid te verdoezelen door de naald voor iets anders dan het gewone instrument te houden.” — 1981, Deel 3, blz. 106.
Als hyperbool beklemtoonde de illustratie hoe moeilijk het voor rijke mensen zou zijn om er niet alleen een begin mee te maken God te dienen, maar ook werkelijk het Koninkrijk binnen te gaan. — 1Ti 6:17-19; Lu 13:24.