KOOPMAN
Iemand die beroepsmatig koopt en verkoopt of ruilhandel bedrijft met het oog op het maken van winst; een handelaar. Het Hebreeuwse woord voor „koopman” duidt letterlijk op iemand die voor commerciële doeleinden ’rondreist’. — Ge 34:10, vtn.
Al heel vroeg in de menselijke geschiedenis verwierven mensen bekwaamheden op bepaalde terreinen en specialiseerden zich in hun beroep (Ge 4:20-22). Handelsbetrekkingen waren het natuurlijke gevolg daarvan, en in de loop der tijd waren veel personen, uitsluitend als kooplieden en handelaars werkzaam en verhandelden een grote verscheidenheid van artikelen. Tegen de tijd dat Abraham in het begin van het 2de millennium v.G.T. naar Kanaän kwam, waren bepaalde maten en gewichten in gebruik (Ge 23:16). Volgens de Mozaïsche wet moesten de door een koopman gebruikte maten en gewichten aan een norm beantwoorden en nauwkeurig zijn. — De 25:13-16; Sp 11:1; 20:10; Mi 6:11.
Sommige kooplieden hadden winkels; anderen dreven in de steden handel op marktplaatsen en bazaars (Ne 13:20). Sommigen bezaten een vloot van schepen, die de open zeeën bevoeren en waardevolle handelswaren uit verre landen meebrachten (Ps 107:23; Sp 31:14). Weer anderen reisden over land langs de uitgebreide handelsroutes van de toenmalige wereld (1Kon 10:14, 15; 2Kr 9:13, 14). Jozef werd door zijn broers aan zulke reizende kooplieden verkocht die op weg waren naar Egypte. — Ge 37:25, 28.
Alle natiën, hetzij klein of groot, hadden hun eigen kooplieden, en door hun activiteit werden velen rijk gemaakt. Zo waren er de kooplieden van Ethiopië (Jes 45:14), van Assyrië (Na 1:1; 3:16), van het koninkrijk van Salomo (1Kon 10:28; 2Kr 1:16) en van Sidon en Tyrus (Jes 23:2, 8).
In de profetie van Ezechiël wordt de stad Tyrus beschreven als een groot handelscentrum waarheen schepen en karavanen uit alle delen van de wereld kwamen om er zaken te doen. Deze zelfde profetie beschrijft ook de grote verscheidenheid van handelswaren die door deze kooplieden werden verhandeld, waardoor deze havenstad rijk werd gemaakt, bijvoorbeeld zilver, ijzer, tin, lood, voorwerpen van koper, paarden, muildieren, ivoor, ebbehout, turkoois, wol, geverfde stoffen, koralen, robijnen, tarwe, speciaal voedsel, honing, olie, balsem, wijn, kassie, specerijriet, klederen van geweven stof, parfums, edelstenen en goud. — Ez 27:2, 12-25.
Het Griekse woord emʹpo·ros (poʹros betekent „reis”) duidt op een reizende koopman, of iemand die „op reis” is. Een voorbeeld hiervan is de reizende koopman uit Jezus’ illustratie die op zoek was naar zeer mooie parels van grote waarde (Mt 13:45). In het symbolische boek Openbaring wordt over de reizende kooplieden gezegd dat zij rijk zijn gemaakt door „de grote hoer, . . . ’Babylon de Grote, de moeder van de hoeren’”, en dat zij wenen en rouwen over haar val en vernietiging (Opb 17:1, 5; 18:3, 11-15). Ook Babylon de Grote heeft haar eigen reizende kooplieden, „de hooggeplaatste personen der aarde”. — Opb 18:23.