MEDAN
(Me̱dan).
Een van de zes zonen die Abraham bij zijn bijvrouw Ketura had (Ge 25:1, 2; 1Kr 1:32). De Arabische stam die van Medan afstamde, is tot dusver niet geïdentificeerd, en evenmin is bekend waar die zich vestigde. Maar misschien is „Medan” terug te vinden in „Badan” — een ten Z van Tema gelegen plaats die in de 8ste eeuw v.G.T. door de Assyrische koning Tiglath-Pileser III werd ingenomen — aangezien de Arabische letters „m” en „b” vaak verwisseld worden.